Cantate Wo soll ich fliehen hin (BWV 5)

1. KORAAL
Wo soll ich fliehen hin,
Weil ich beschweret bin
Mit viel und großen Sünden?
Wo soll ich Rettung finden?
Wenn alle Welt herkäme,
Mein Angst sie nicht wegnähme.


Waarheen moet ik vluchten
nu er zoveel grote zonden
op mij drukken?
Waar moet ik redding vinden?
Al zou iedereen mij te hulp komen,
ze zouden mijn angst niet kunnen wegnemen.
2. RECITATIEF (B)
Der Sünden Wust hat mich nicht nur befleckt,
Er hat vielmehr den ganzen Geist bedeckt,
Gott müßte mich als unrein von sich treiben;
Doch weil ein Tropfen heilges Blut
So große Wunder tut,
Kann ich noch unverstoßen bleiben.
Die Wunden sind ein offnes Meer,
Dahin ich meine Sünden senke,
Und wenn ich mich zu diesem Strome lenke,
So macht er mich von meinen Flecken leer.


Al die zonden hebben mij niet alleen bezoedeld,
maar ze hebben mijn hele geest bedekt,
God zou mij als een onreine moeten wegjagen.
Maar omdat een druppel heilig bloed
zulke grote wonderen doet
kan ik nog onverstoten blijven.
De wonden zijn een open zee
waarin ik mijn zonden laat zinken,
en als ik me naar die stroom begeef,
wast hij mijn vlekken weg.
3. ARIA (T)
Ergieße dich reichlich, du göttliche Quelle,
Ach, walle mit blutigen Strömen auf mich !
   Es fühlet mein Herze die tröstliche Stunde,
   Nun sinken die drückenden Lasten zu Grunde,
   Es wäschet die sündlichen Flecken von sich.


Stroom rijkelijk, o goddelijke bron,
ach, golf met bloedige stromen over mij heen!
Mijn hart voelt het troostrijke uur,
nu zakken de drukkende lasten naar de bodem,
mijn hart wast de zondige vlekken van zich af.

4. RECITATIEF (A)
Mein treuer Heiland tröstet mich,
Es sei verscharrt in seinem Grabe,
Was ich gesündigt habe;
Ist mein Verbrechen noch so groß,
Er macht mich frei und los.
Wenn Gläubige die Zuflucht bei ihm finden,
Muß Angst und Pein
Nicht mehr gefährlich sein
Und alsobald verschwinden;
Ihr Seelenschatz, ihr höchstes Gut
Ist Jesu unschätzbares Blut;
Es ist ihr Schutz vor Teufel, Tod und Sünden,
In dem sie überwinden.


Mijn trouwe Heiland troost mij,
hij zegt dat al mijn zonden
begraven zijn in zijn graf;
hoe groot mijn misdaad ook is,
hij maakt mij vrij en verlost mij.
Als gelovigen hun toevlucht bij hem vinden,
hoeven angst en pijn
niet meer gevaarlijk te zijn
en zullen ze weldra verdwijnen.
De schat van hun ziel, hun hoogste goed
is het onschatbare bloed van Jezus;
dat is hun bescherming tegen duivel, dood en zonden,
en dat schenkt hun de overwinning.
5. ARIA (B)
Verstumme, Höllenheer,
Du machst mich nicht verzagt!
   Ich darf dies Blut dir zeigen,
   So mußt du plötzlich schweigen,
   Es ist in Gott gewagt.


Zwijg, helleleger,
je jaagt mij geen angst aan!
   Ik mag jou dit bloed laten zien,
   dan moet je onmiddellijk zwijgen,
   God geeft mij moed.
6. RECITATIEF (S)
Ich bin ja nur
das kleinste Teil der Welt,
Und da des Blutes edler Saft
Unendlich große Kraft
Bewährt erhält,
Daß jeder Tropfen, so auch noch so klein,
Die ganze Welt kann rein
Von Sünden machen,
So laß dein Blut
Ja nicht an mir verderben,
Es komme mir zugut,
Daß ich den Himmel kann ererben.


Ik ben immers slechts
het kleinste deeltje van de wereld,
en omdat het edele bloed
een beproefde, oneindig grote
kracht behoudt,
zodat elke druppel, hoe klein ook
de hele wereld schoon kan wassen
van zonden,
laat uw bloed dan ook aan mij
niet verspild zijn
maar laat het mij ten goede komen
zodat ik de hemel kan beërven.
7. KORAAL
Führ auch mein Herz und Sinn
Durch deinen Geist dahin,
Daß ich mög alles meiden,
Was mich und dich kann scheiden,
Und ich an deinem Leibe
Ein Gliedmaß ewig bleibe.

Leid ook mijn hart en mijn gedachten
door uw geest zo
dat ik alles mijd
wat mij van u kan scheiden,
en dat ik voor eeuwig een lidmaat
van uw lichaam mag blijven.


(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel