Cantate Jesu, der du meine Seele (BWV 78)


1    Koor

Jesu, der du meine Seele
hast durch deinen bittern Tod
aus des Teufels finstern Höhle
und der schweren Seelennot
kräftiglich herausgerissen
und mich solches lassen wissen
durch dein angenehmes Wort
sei doch itzt, o Gott, mein Hort!
Jezus, Gij die mijn ziel
door Uw bittere dood
uit de duistere spelonk van de duivel
en uit mijn diepe innerlijke nood
krachtig hebt weggetrokken
en mij dit hebt laten weten
door Uw weldadige woord,
wees toch nu, o God, mijn toevlucht!

2    Aria (duet sopraan, alt)

Wir eilen mit schwachen,
doch emsigen Schritten,
o Jesu, o Meister, zu helfen zu dir.
   Du suchest die Kranken und Irrenden treulich.
   Ach höre, wie wir
   die Stimmen erheben, um Hülfe zu bitten!
   Es sei uns dein gnädiges Antlitz erfreulich!
Wij haasten ons met zwakke,
maar naarstige schreden,
o Jezus, o Meester, tot U om hulp.
   Gij zoekt de zieken en dwalenden getrouwelijk op.
   Ach, hoor, hoe wij
   onze stemmen verheffen om Uw hulp in te roepen!
   Laat Uw genadig aangezicht ons tot vreugde zijn!

3    Recitatief (tenor)

Ach! ich bin ein Kind der Sünden,
ach! ich irre weit und breit.
Der Sünden Aussatz,
so an mir zu finden,
verlässt mich nicht in dieser Sterblichkeit.
Mein Wille trachtet nur nach Bösen.
Der Geist zwar spricht: ach! wer wird mich erlösen?
Aber Fleisch und Blut zu zwingen
und das Gute zu vollbringen,
ist über alle meine Kraft.
Will ich den Schaden nicht verhehlen,
so kann ich nicht,
wie oft ich fehle, zählen.
Drum nehm ich nun der Sünden Schmerz und Pein
und meiner Sorgen Bürde,
so mir sonst unerträglich würde,
ich liefre sie dir, Jesu, seufzend ein.
Rechne nicht die Missetat,
die dich, Herr, erzürnet hat!
Ach! ik ben een kind van de zonde,
ach! ik dwaal op al mijn wegen.
De melaatsheid door de zonde,
die aan mij zichtbaar is,
verlaat mij niet zolang ik leef.
Mijn wil streeft slechts naar het kwaad.
De geest zegt weliswaar: ach! wie zal mij verlossen?
Maar vlees en bloed dwingen
en het goede volbrengen,
gaat al mijn krachten te boven.
Als ik de schade niet wil verhelen,
dan kan ik het aantal keren
dat ik gezondigd heb niet tellen.
Daarom neem ik nu de smart en de pijn
over mijn zonden en de last van mijn zorgen,
die anders onverdraaglijk voor mij zouden zijn,
en draag ze, Jezus, zuchtend aan u over.
Reken mij de misdaden niet aan,
die U, o Heer, hebben vertoornd!

4    Aria (tenor)

Das Blut, so meine Schuld durchstreicht,
macht mir das Herze wieder leicht
und spricht mich frei.
Ruft mich der Höllen Heer zum Streite,
so stehet Jesus mir zur Seite,
dass ich beherzt und sieghaft sei.
Het bloed, dat mijn schuld teniet doet,
maakt mijn hart weer licht
en spreekt mij vrij.
Wanneer het helleleger mij tot de strijd roept,
dan staat Jezus aan mijn zijde,
opdat ik moedig en zegevierend zal zijn.

5    Recitatief (bas)

Die Wunden, Nägel, Kron und Grab,
die Schläge, so man dort dem Heiland gab,
sind ihm nunmehro Siegeszeichen
und können mir verneute Kräfte reichen.
Wenn ein erschreckliches Gericht
den Fluch vor die Verdammten spricht,
so kehrst du ihn in Segen.
Mich kann kein Schmerz
und keine Pein bewegen,
weil sie mein Heiland kennt;
und da dein Herz vor mich in Liebe brennt,
so lege ich hinwieder
das meine vor dich nieder.
Dies mein Herz, mit Leid vermenget,
so dein teures Blut besprenget,
so am Kreuz vergossen ist,
geb ich dir, Herr Jesu Christ.
De wonden, nagels, kroon en graf,
de slagen, die men daar de Heiland gaf,
zijn voortaan zijn zegetekenen
en kunnen mij hernieuwde krachten geven.
Wanneer een verschrikkelijk gericht
de vloek over de verdoemden uitspreekt,
dan verandert Gij die in zegen.
Mij kan geen smart
en geen pijn van mijn stuk brengen,
omdat mijn Heiland ze kent;
en daar Uw hart voor mij in liefde brandt,
leg ik op mijn beurt
het mijne voor U neer.
Dit hart van mij, van leed vervuld,
dat besprenkeld is met Uw dierbare bloed
dat aan het kruis is vergoten,
geef ik aan U, Heer Jezus Christus.

6    Aria (bas)

Nun du wirst mein Gewissen stillen,
so wider mich um Rache schreit;
ja, deine Treue wirds erfüllen,
weil mir dein Wort die Hoffnung beut.
Wenn Christen an dich glauben,
wird sie kein Feind in Ewigkeit
aus deinen Händen rauben.
Nu zult gij mij mijn geweten tot rust brengen,
dat om wraak tegen mij schreeuwt;
ja, Uw trouw zal het volbrengen,
omdat Uw woord mij hoop geeft.
Wanneer Christenen in U geloven,
zal geen vijand ze ooit
uit Uw handen wegrukken.

7    KORAAL

Herr, ich glaube, hilf mir Schwachen,
lass mich ja verzagen nicht;
Du, du kannst mich stärker machen,
wenn mich Sünd und Tod anflieht.
Deine Güte will ich trauen,
bis ich fröhlich werde schauen
Dich, Herr Jesu, nach dem Streit
in der süssen Ewigkeit.
Heer, ik geloof, help mij, zwakke mens,
laat mij toch niet de moed verliezen;
Gij, Gij kunt mij sterker maken
wanneer zonde en dood mij overvallen.
Uw goedheid wil ik vertrouwen,
totdat ik blij zal aanschouwen
U, Heer Jezus, na de strijd,
in de zalige eeuwigheid.

(Nederlandse vertaling: Henk Pijlman)