CANTATE Siehe, ich will viel Fischer aussenden (BWV 88) 

DEEL I

1. ARIA (B)
»Siehe, ich will viel Fischer aussenden,
spricht der Herr, die sollen sie fischen.
Und darnach will ich viel Jäger aussenden,
die sollen sie fahen auf allen Bergen und auf
allen Hügeln und in allen Steinritzen.«



Zie, ik laat veel vissers uitzenden,
spreekt de Heer, om hen op te vissen.
En daarna laat ik veel jagers uitzenden
om hen op te jagen op alle bergen
en op alle heuvels en in alle rotskloven.

2. RECITATIEF (T)
Wie leichtlich könnte doch
der Höchste uns entbehren
und seine Gnade von uns kehren,
wenn der verkehrte Sinn
sich böslich von ihm trennt
und mit verstocktem Mut
in sein Verderben rennt.
Was aber tut sein vatertreu Gemüte?
Tritt er mit seiner Güte von uns,
gleich so wie wir von ihm, zurück?
Und überläßt er uns
der Feinde List und Tück?


Hoe gemakkelijk zou de Hoogste
het toch zonder ons kunnen doen
en zijn genade van ons kunnen afwenden
als onze slechte geest
zich kwaadaardig van hem losmaakt
en met verstokt gemoed
zijn ondergang tegemoet gaat.
Maar wat doet zijn vaderlijk trouwe hart?
Verlaat hij ons
zoals wij hem verlieten,
en levert hij ons over
aan de listen en de valsheden van onze vijanden?

3. ARIA (T)
Nein, nein! Gott ist allezeit geflissen,
uns auf gutem Weg zu wissen
unter seiner Gnaden Schein.
Ja, ja! wenn wir verirret sein
und die rechte Bahn verlassen,
will er uns gar suchen lassen.


Nee, God streeft er altijd naar
dat wij op de goede weg zijn
onder het schijnsel van zijn genade.
Ja, als wij verdwaald zijn
en het juiste pad verlaten,
wil hij ons zelfs laten zoeken.

DEEL II

4. RECITATIEF (T) / ARIA (B)
(T) Jesus sprach zu Simon:
(B) Fürchte dich nicht,
denn von nun an wirst du Menschen fahen.




Jezus sprak tot Simon:
Vrees niet;
want van nu af aan zul je mensen vangen.

5. ARIA / DUET (S, A)
Beruft Gott selbst, so muß der Segen
auf allem unsern Tun in Übermaße ruhn,
stünd’ uns gleich Furcht und Sorg entgegen.
Das Pfund, so er uns ausgetan,
will er mit Wucher wieder haben;
wenn wir es nur nicht selbst vergraben,
so hilft er gern, damit es fruchten kann.


Als God zelf roept, moet de zegen
ruimschoots rusten op al ons handelen,
ook al komen angst en zorgen op ons af.
Het pond dat hij ons heeft gegeven
wil hij met rente terug krijgen;
als wij het maar niet zelf begraven,
helpt hij ons graag, zodat het vrucht kan dragen.

6. RECITATIEF (S)
Was kann dich denn
in deinem Wandel schrecken,
wenn dir, mein Herz,
Gott selbst die Hände reicht?
Vor dessen bloßem Wink
schon alles Unglück weicht,
und der dich mächtiglich
kann schützen und bedecken.
Kommt Mühe, Überlast,
Neid, Plag und Falschheit her
und trachtet, was du tust,
zu stören und zu hindern,
laß kurzes Ungemach
den Vorsatz nicht vermindern.
Das Werk, so er bestimmt,
wird keinem je zu schwer.
Geh allzeit freudig fort,
du wirst am Ende sehen,
daß, was dich eh’ gequält,
dir sei zu Nutz’ geschehen.


Wat kan je eigenlijk
in je leven angst aanjagen
als God zelf je
zijn handen reikt, mijn hart?
Voor alleen al een wenk
van hem wijkt elk ongeluk,
en hij kan je machtig
beschermen en behoeden.
Als er moeiten, zware lasten,
jaloezie, plagen en valsheid komen,
die dat wat jij doet
trachten te verstoren en te belemmeren,
laat korte tegenspoed
dan geen afbreuk doen aan je plan;
het werk dat hij heeft bepaald,
wordt niemand ooit te zwaar.
Ga altijd vrolijk door,
aan het einde zul je zien
dat dat wat jou eens kwelde,
voor je bestwil is gebeurd!

7. KORAAL
Sing, bet und geh auf Gottes Wegen,
verricht das Deine nur getreu
und trau des Himmels reichem Segen,
so wird er bei dir werden neu:
denn welcher seine Zuversicht
auf Gott setzt, den verläßt er nicht.


Zing, bid en bewandel Gods wegen,
doe getrouw wat je te doen staat
en vertrouw op de rijke zegen van de hemel,
dan zal die bij jou nieuw worden;
want wie zijn vertrouwen
op God stelt, die verlaat hij niet.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel