CANTATE Was Gott tut, das ist wohlgetan (BWV 98) 


1. KOOR

Was Gott tut, das ist wohlgetan,
es bleibt gerecht sein Wille.
Wie er fängt meine Sachen an,
will ich ihm halten stille.
Er ist mein Gott,
der in der Not
mich wohl weiß zu erhalten;
drum laß ich ihn nur walten.


Wat God doet dat is welgedaan,
zijn wil blijft rechtvaardig.
Wat hij voor mij beschikt
zal ik zwijgend aanvaarden.
Hij is mijn God
die in de nood
mij weet te bewaren;
daarom laat ik hem alles maar regeren.

2. RECITATIEF (T)

Ach Gott! Wenn wirst du mich einmal
von meiner Leiden Qual,
von meiner Angst befreien?
Wie lange soll ich Tag und Nacht
um Hülfe schreien?
Und ist kein Retter da!
Der Herr ist denen allen nah,
die seiner Macht
und seiner Huld vertrauen.
Drum will ich meine Zuversicht
auf Gott alleine bauen,
denn er verläßt die Seinen nicht.


Ach God, wanneer zult u mij
van mijn ellendige lijden
en mijn angst verlossen?
Hoe lang moet ik dag en nacht
om hulp roepen?
En er is geen redder!
De Heer is al diegenen nabij
die op zijn macht
en zijn genade vertrouwen.
Daarom wil ik
op God alleen bouwen,
want hij verlaat de zijnen niet.

3. ARIA (S)

Hört, ihr Augen, auf zu weinen!
Trag ich doch
mit Geduld mein schweres Joch.
Gott der Vater, lebet noch;
von den Seinen
läßt er keinen.
Hört auf zu weinen!
Hört, ihr Augen, auf zu weinen!


Houd op met wenen, ogen!
Ik draag immers geduldig
mijn zware juk.
God de Vader leeft nog;
van de zijnen
verlaat hij niemand.
Houd op met wenen!
Houd op met wenen, ogen!

4. RECITATIEF (A)

Gott hat ein Herz,
das des Erbarmens Überfluß.
Und wenn der Mund vor seinen Ohren klagt
und ihm des Kreuzes Schmerz
im Glauben und Vertrauen sagt,
so bricht in ihm das Herz,
daß er sich über uns erbarmen muß.
Er hält sein Wort;
er saget: Klopfet an,
so wird euch aufgetan.
Drum laßt uns alsofort,
wenn wir in höchsten Nöten schweben,
das Herz zu Gott allein erheben.


God heeft een hart
dat overstroomt van ontferming.
Als onze mond in zijn oren klaagt
en hem in geloof en vertrouwen
vertelt over de pijn van het kruis,
dan breekt zijn hart
en moet hij zich wel over ons ontfermen.
Hij houdt zijn woord;
hij zegt: Klopt,
en u zal worden opengedaan.
Laten wij dus voortaan
als de nood zeer hoog is,
ons hart tot God alleen verheffen.

5. ARIA (B)

Meinen Jesum laß ich nicht,
bis mich erst sein Angesicht
wird erhöhen oder segnen.
   Er allein
   soll mein Schutz in allem sein,
   was mir Übels kann begegnen.


Ik verlaat mijn Jezus pas
als zijn aangezicht
mij heeft verhoogd of gezegend.
Hij alleen
moet mijn toevlucht zijn in alles
wat mij aan kwaad kan overkomen.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel