Cantate 12
Dit is een
relatief vroege cantate, gecomponeerd in Weimar en voor het eerst
opgevoerd op 22 april 1714 (10 jaar later op 30 april in Leipzig).
Binnen het
kerkelijk jaar viel deze zondag op Jubilate (‘verheugt u’).
Dat is de derde zondag na Pasen. De lezingen spelen op het thema
‘vreugde’ in, zij het in een context van passie. Pasen en passie zijn
in deze cantate nauw op elkaar betrokken, maar dan de passie gezien
vanuit Pasen: ‘Jullie verdriet en smart zullen veranderen in vreugde’
(uit de afscheidsrede van Jezus in Johannes 16:16-23). Ook Handelingen
14:22 klinkt door: ‘Wij moeten door veel moeite en verdriet het Rijk
van God binnengaan.’ Na een concertante inleiding (net als een maand
van tevoren op palmarum met ‘Himmelskönig sei willkommen’ – nr.
182) verwerkt Bach deze bijbelwoorden in het beginkoor en het daarop
volgende recitatief. Hij volgt het basiscontrast, dat de textdichter
Salomon Franck had verwoord: verdriet – vreugde.
Het hoofddeel
van het beginkoor heeft de vorm van een chaconne. 12 (!)
keer is het chromatisch omlaag dalende motief in de bas te horen: het
lijden van de discipelen van Jezus, toen en vandaag? Zo’n twintig jaar
later, in het laatste decennium van zijn leven, heeft Bach dit koor
omgevormd in zijn beroemde h-moll Messe: tot het Crucifixus.
Het volgende
recitatief zoals gezegd, zingt het bijbelcitaat uit
Handelingen. Hij beeldt het ingaan in het Rijk Gods als volgt in een
dubbelspoor van vreugde en verdriet uit, door de viool I door het hele
recitatief heen de toonladder van C-groot te laten spelen, gaande van
c’’ naar c’’’ èn de altstem gaat ook een toonladder spelen, maar
dan van c-mineur, gaande van d’ tot c”.
De drie volgende
aria´s volgen elkaar op zonder tussengeschoven
recitatief en volgen de text nauwgezet. Het leed van de christen kan
worden gedragen in het licht van het lijden van de Christus. Zijn
wonden zijn de tekenen van Zijn overwinning. Dan wordt de navolging
gethematiseerd door de inzet van de stemmen in een canonvorm elkaar te
laten opvolgen. De weg leidt ook hier naar het Rijk, uitgebeeld door
een naar boven lopende toonladder in de omvang van een none (de octaaf
overschrijdend). De laatste aria bezingt de trouw en de troost, dat het
niet lang meer zal duren (Openbaring 2:10) en doet dat door de trompet
de melodie van ‘Jesu, meine Freude’ erdoorheen te laten spelen, zonder
veel versieringen, dus goed hoorbaar.
Het slotkoraal
krijgt in zijn eenvoudige vorm extra glans door de viool
I een extra bovenstem te laten spelen (waarschijnlijk door Bach zelf
gespeeld). De koraalmelodie duikt al in eerdere delen van de cantate
aanduidingsgewijze op, zodat de chromatische afdaling in het begin met
de diatonische stijging in de daaropvolgende delen muzikaal en
inhoudelijk op elkaar zijn betrokken. Muzikale vorm en geloofsinhoud
zijn naadloos in elkaar verweven, om oor en hart tot in het diepste te
raken.
Rainer Wahl
Wageningen,
24 februari ’04
voor
Gelders-Utrechts Cantatekoor