Pinkstercantate (BWV 172)

De cantate die u vandaag te horen krijgt is voor het eerst 20 mei 1714 uitgevoerd, eerste pinksterdag. Bach was toen 28 jaar oud en net aangesteld als concertmeester in de hofkapel te Weimar. Het was misschien zijn derde cantate sinds zijn aanstelling bij een productie van één cantate per maand. Deze vijfdelige, in ‘stralend’ D of ‘helder’ C geschreven cantate is een hele feestelijke getuige de instrumentale bezetting: met pauken en trompetten. Bach heeft, zover bekend, deze cantate vier keer in bovengenoemde toonsoorten uitgevoerd. Dit mag betekenen, dat hij met zijn werkje best content was .
Bach experimenteerde in die tijd met muzikale stijlen. De openingskoren van de cantates die hij in die periode componeerde hadden allen een eigen vorm.

Openingskoor (1)

Het ingangskoor van deze eerste pinkstercantate heeft een concertante vorm en een geen fugale al worden motieven geïmiteerd, zoals u snel zult kunnen horen. De stralende feestelijkheid doet zeer werelds aan. Het zou best kunnen dat Bach nog een mooie verjaardagscantate ter ere van een vorstelijk gezinslid had liggen en daar dankbaar gebruik van heeft gemaakt.
Je kunt dit ook verstaan als pinkstermotief: de Geest Gods komt deze wereld binnen en maakt haar stralend. Trompetten en violen wisselen elkaar af in een duidelijke drieklanken-struktuur. Daarmee symboliseert Bach vaak de drie-eenheid die in volle glorie met het komen van de Geest wordt neergezet.
Het koor heeft een Da capo vorm, dat betekent dat het eerste gedeelte weer wordt herhaald. Het middengedeelte heeft twee elementen. Het eerste laat het motief met de bassen beginnen en vervolgens de tenoren, de alten en dan de sopranen. Zij imiteren elkaar zoals al gezegd. Of: iedere stem pakt het balletje op dat de ander voorlegt. Zo komt die zaak goed aan het rollen. En bij het tweede gedeelte gebeurt hetzelfde weer, behalve dat het motief nu afdaalt van de sopranen naar de bassen. 
Je kunt je deze figuur voorstellen als een open deur of een open raam, waardoorheen de Geest kan waaien. Dit past ook mooi bij de tekst: God wil de zielen tot tempels bereiden van Zijn Geest. Kwam de Geest in het pinksterverhaal (Handelingen 2) niet door gesloten deuren van angst, verwijt en schuld? Een een frisse wind door ’t vaak muffe kerkgebeuren kan zo nu en dan ook geen kwaad. Bach wist daar musikaal raad mee. Prachtig.

Recitativo (2)

Met dit recitatief wordt een vers uit de evangelielezing uit Johannes 14 gelicht, vers 23, om precies te zijn. Dit doet vermoeden dat de cantate tijdens een 2 à 3 uur durende dienst na de schriftlezing is gezongen. Een prachtig stuk verkondiging – en dan moest de preek nog komen. Ook in dit gedeelte valt net als in het ingangskoor de nadruk op het ‘woning maken’. Het woord ‘maken’ krijgt musikaal hier de volle aandacht, zoals in het ingangskoor trouwens het woordje ‘bereiden’. Bach benadrukt het aktieve en ruimte creërende van de pinksterboodschap. Aan het eind krijgt het recitatief zelfs een arioso-vorm om het welaangename van dit komen te laten klinken. De bas mag in de notatie van Bach aan het eind van het ‘woning maken’ voor het samen-zijn met God afdalen tot aan het contra-C, waarbij het diepste bereik van de menselijke stem wordt aangeduid. God zelf wil komen tot in het diepste van het menselijke leven. Bach zal een diepe bas tot zijn beschikking hebben gehad.
Later in Leipzig giet Bach zulk soort bijbelwoorden in groots aangelegde ingangskoren. Zijn al genoemde vreugde om te experimenteren, zijn durf en musikale inventiviteit zullen hem tot dit punt van meesterschap nog moeten brengen.

Aria (3)

De bas mag vervolgen en de Allerheiligste Drie-eenheid bezingen. (‘grote god’ wordt telkens weer drie keer herhaald!) We horen hier weer zoals in het openingskoor de stralende trompetten (+continuo) in concerterend samenspel met de zangstem. Dit is een uitzonderlijke ‘wereldse en feestelijke’ bezetting (hofmuziek) voor zo’n geestelijke aria en symboliseert de stralende heerlijkheid van Gods koningsheerschappij. De drieklanken zijn ook hier weer frappant en ter zake.

Aria (4)

Deze tenoraria wordt gekenmerkt door een begeleiding, waarbij alle strijkers, violen én viola’s tot éen vloeiende melodielijn zijn samengevat. Het is een en al waaiende beweging, wat ook nog door een mooie swingende driekwartsmaat wordt versterkt. (In een latere uitvoering kwam nog het blaasinstrument bij uitstek erbij, een fluit, die een octaaf hoger spelend deze musikale figuur nog meer effect gaf). De woorden ‘wehen’ en ‘nahen’ worden extra in op- en neergaande lijnen uitgesponnen, waarmee weer de dynamiek van het Geestgebeuren wordt verbeeld, dat hemel en aarde met elkaar verbindt, hoogte en diepte, God en mens.

Aria duetto (5)

Deze spanningsgeladen verbinding wordt in dit duet van sopraan en alt op een buitengewoon kunstvolle wijze vorm gegeven. De sopraan vertolkt de stem van een verlangende gemeente, die om de verfrissende, verkwikkende, troostende nabijheid van de Geliefde hartstochtelijk roept. Zij ontvangt antwoord door de Geest, vertolkt door de alt, dat haar verlangen al is vervuld en het geheim van de verenigende liefde haar deel is. Onder het duet wordt door Bach een koraalmelodie geweven: ‘Komm, Heiliger Geist, Herre Gott’ die door de hobo of het obligate orgel (in onze uitvoering) wordt gespeeld, daaronder de cello (continuo) en hoor: er klinkt een kwartet van prachtig in elkaar gevlochten stemmen. Het koraal staat voor een gemeente die de lofzang gaande houdt en zich haast onmerkbaar in laat weven in het vraag en antwoordspel, in het erotisch-mystiek geladen liefdesspel tussen God en mens.

Slotkoraal (6)

Zoals vaker in vroegere cantates van Bach, komt bij de eenvoudig vierstemmige setting een zelfstandige vijfde stem erbij, hier de 1e viool. Het koraal is het vierde couplet van ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern’ (1599 van Philipp Nicolai) die getuigt van een meer gevoelig-mystieke grondhouding, die later in het piëtisme verder is ontwikkeld. De cantate ademt al iets van deze geest, alhoewel haar tekstdichter, Salomon Frank, geen piëtist is geweest, maar blijkbaar wel iemand, die de geest van het tijdsgewricht in zijn woordscheppingen aanvoelde en kon laten resoneren. Het hing toen gewoon in de lucht.
Bach heeft de kern van de pinksterboodschap, het komen van de bewogen en tot nieuwe beweging dynamiserende Geest op muziek gezet. In vele uitvoeringen wordt dan ook het ingangskoor nog een keer herhaald, waar dit komen in heel zijn stuwende kracht en glorie verschijnt, opdat alle deuren en ramen open gaan om deze verfrissende wind door alles heen te laten waaien.
Rest ons als uitvoerenden en luisteraars niets anders dan het dan maar ook knap te laten waaien.

Rainer Wahl
Rhenen, 14 juni 2003
voor Gelders-Utrechts Cantatekoor