J. S. BACH: Wie schön leuchtet der Morgenstern (BWV 1)

Beluister opnames van Harnoncourt,
Rilling, FritzLehmann(1952), Karl Richter, LaPetiteBande, Koopman,
 Gardiner/ of Leusink
Bachs cantate Wie schön leuchtet der Morgenstern draagt haar uitzonderlijke nummer om geen andere reden dan de toevallige omstandigheid dat het de eerste was van een tiental cantates waarmee de toenmalige Bach Gesellschaft in 1851 in de openbaarheid trad toen het haar niet gelukt was met de Hohe Messe te beginnen. Wel koos de Bach Gesellschaft uit de haar op dat moment ter beschikking staande manuscripten een bijzonder rijk exemplaar.
annunciatie Fra AngelicoBach schreef zijn BWV 1 voor Maria Boodschap (Annunciatie) 1725, de vaste feestdag op 25 maart waarop (negen maanden voor Kerstmis) gevierd wordt dat - aldus het evangelie voor deze dag, Lucas 1: 26-38 - de aartsengel Gabriël aan Maria de geboorte van Jezus aankondigt. Maria Boodschap valt meestal in de - te Leipzig ook kerkmuzikale - vastentijd (tempus clausum) maar was van dat verbod op concertante muziek uitgezonderd. In 1725 viel Maria Boodschap zelfs samen met Palmzondag, maar in BWV 1 ontbreekt daarnaar iedere verwijzing; vijf dagen later zou in Leipzig de eerste reprise van de Johannes-Passion klinken.
Wie schön leuchtet der Morgenstern is de titel en eerste regel van een kerklied van Philipp Nicolai (1556–1608), predikant te Unna (Westfalen) en later te Hamburg. Nicolai componeerde het lied in 1599, in de periode dat hij dagelijks tientallen aan de pestepidemie overleden parochianen moest begraven als onderdeel van de troostrijke liederenbundel Freudenspiegel des ewigen Lebens, waarin ook dat andere beroemde lied Wachet auf ruft uns die Stimme voorkomt. Beide koralen waarmee Nicolai zich als auteur van tekst en melodie onsterfelijk maakte, gelden sinds de negentiende eeuw als de 'König und Königin der Choräle'  in het Lutherse liedboek; Bach baseerde er twee van zijn beroemdste cantates op.
BWV 1 is dus één van Bachs zogeheten ‘koraalcantates', en daaronder een nogal bijzondere (maar dat wist de oude Bach Gesellschaft nog niet). Met BWV 1 beëindigde Bach namelijk plotseling zijn met Trinitatis 1724 begonnen reeks koraalcantates, een reeks die inmiddels veertig exemplaren telde maar zeker bedoeld was om tot aan Trinitatis 1725 te worden voortgezet, getuige Bachs latere pogingen om zijn onvoltooide jaargang alsnog aan te vullen. Geen van die latere op koralen gebaseerde cantates voldoet echter aan de strenge eisen waaraan Bach zichzelf en zijn tekstdichter in 1724/25 veertig cantates lang onderwierp: het eerste en laatste koraalvers dienen tot tekst voor een openingskoor en een slotkoraal, de tussenliggende ‘binnencoupletten' worden omgedicht tot recitatieven en aria's, met mogelijke verwijzing naar de evangelietekst van de betreffende zondag.
Hans-Joachim Schulze postuleert als oorzaak voor Bachs voortijdige en ongetwijfeld onvrijwillige beëindiging van zijn reeks koraalcantates het plotselinge overlijden van de tekstdichter op wiens intensieve samenwerking hij was aangewezen (dat zou dan een emeritus conrector van de Thomasschule zijn geweest, Andreas Stübel, dichter en theoloog, † 31.1.1725). Als dat juist is, wist Bach dus toen hij Wie schön etc componeerde dat dit de laatste koraalcantate van dit bijzondere type zou zijn, en dat daarmee een eind kwam aan de meest creatieve maar ook zwaarst belastende fase van zijn leven als componist. Wellicht heeft hem dat nog speciaal gemotiveerd. De cantate BWV 1 is dus niet Bachs eerste, maar van zijn koraalcantates wel de laatste.
De zeven strofen van Nicolai's koraal over de morgenster (metafoor voor Christus) placht natuurlijk primair gezongen te worden op Epifanie, het feest van de Drie Koningen (6 januari) die zich immers door de morgenster naar Bethlehem hadden laten leiden, maar als lied van hoopvolle verwachting gold het ook als geschikt voor Advent en Maria Boodschap. Dat neemt evenwel niet weg dat de komst van Christus waarnaar in de laatste regel van het slotkoraal wordt uitgezien niet zijn geboorte is maar, gezien de ontstaanscontext van het lied, zijn wederkomst, waarbij hij de overleden zielen naar het paradijs zal begeleiden.
BWV 1 heeft solopartijen voor sopraan, tenor en bas, niet voor de alt dus, en een zeer luxueuze en kleurrijke instrumentatie: behalve de basisbezetting van continuo en strijkers spelen er twee soloviolen, twee hoorns en twee oboi da caccia, jachthobo's; bij Bach hadden deze alt-hobo's een kromme vorm en een metalen beker, in bezettingen met moderne instrumenten worden ze vervangen door rechte Engelse hoorns.
1. KOOR
Wie schön leuchtet der Morgenstern
voll Gnad und Wahrheit von dem Herrn,
die süße Wurzel Jesse!
Du Sohn David aus Jakobs Stamm,
mein König und mein Bräutigam,
hast mir mein Herz besessen,
lieblich,
freundlich,
schön und herrlich, groß und ehrlich, reich von Gaben,
hoch und sehr prächtig erhaben.


De koraalfantasie (1), waarmee koraalcantates plegen te openen, begint met een uitgebreide instrumentale inleiding (ritornel) waarin de motieven langs komen die het verbindend element zullen vormen tussen de negen vocale periodes. Naast het vierstemmig strijkorkest horen we drie instrumentale groepen: de twee hoorns en de oboi da caccia, wier coloriet aan schalmeien herinnert, roepen, samen met de wiegende 12/8-maat een pastorale sfeer op. Daarboven flonkert de Morgenster, hier gerepresenteerd door de twee soloviolen die unisono levendige zestiendenfiguraties uitvoeren. Het thema (hiernaast) dat de instrumentalisten introduceren zullen we ook in de vocale begeleiding voortdurend tegenkomen; het lijkt met zijn initiële kwintsprong en zijn grote drieklank, van de koraalmelodie afgeleid.
Gescheiden en gevolgd door instrumentale tussenspelen zingt de sopraan, zoals in koraalcantates gebruikelijk, de negen regels van Nicolai's eerste couplet als cantus firmus in lange noten, daarbij gesteund door de eerste hoorn. in de meeste koraalregels gaat de sopraan voorop, gevolgd door een polyfone begeleiding van elkaar imiterende onderstemmen. Maar regel 2, voll Gnad und Wahrheit von dem Herrn, heeft een lange proloog van de drie begeleidende stemmen waarin zelfs de komende koraalregel al in verkorte notenwaarden door tenor en alt wordt gezongen; wegens de voor koralen zo gebruikelijke Barvorm (A-A-B) waarbij de muziek van de eerste regels wordt herhaald voor de regels 4-6, gebeurt dit ook in regel 5.
In het Abgesang worden de voor Nicolai's beide koralen karakteristieke zeer korte, uit een enkel woord bestaande regels in homofone akkoordblokken neergezet.
2. RECITATIEF (T)
Du wahrer Gottes und Marien Sohn,
du König derer Auserwählten,
wie süß ist uns dies Lebenswort,
nach dem die ersten Väter schon
so Jahr' als Tage zählten,
das Gabriel mit Freuden dort
in Bethlehem verheißen!
o Süßigkeit, o Himmelsbrot,
das weder Grab, Gefahr, noch Tod
aus unsern Herzen reißen.


Vergelijking van de tekst van het tenorrecitatief (2) met het tweede couplet van Nicolai´s koraal laat zien hoe de tekstdichter in Nicolai's gedachtengoed verwijzingen inbouwt naar de actualiteit van Maria Boodschap: de engel Gabriel uit de evangelielezing en de oudtestamentische vaderen (Väter) aan wie de komst van een Messias was beloofd volgens de epistellezing uit het boek Jesaja (7:10-16).
De tenor wordt slechts door het continuo begeleid. Alleen de woorden Gefahr en Tod vallen op door de dissonante sprongen over verminderde intervallen.
t e k s t v e r g e l ij k i n g
Philipp Nicolai, vers 2

Ei meine Perl', du werte Kron',
wahr'r Gottes- und Mariensohn,
ein hochgeborner König!
Mein Herz heißt dich ein Lilium,
dein süßes Evangelium
ist lauter Milch und Honig.
Ei mein Blümlein,
hosianna, himmlisch Manna,
das wir essen,
deiner kann ich nicht vergessen!
tekstdichter, recitatief nr.2

Du wahrer Gottes und Marien Sohn,
du König derer Auserwählten,
wie süß ist uns dies Lebenswort,
nach dem die ersten Väter schon
so Jahr' als Tage zählten,
das Gabriel mit Freuden dort
in Bethlehem verheißen!
o Süßigkeit, o Himmelsbrot,
das weder Grab, Gefahr, noch Tod
aus unsern Herzen reißen.
3. ARIA (S)
Erfüllet, ihr himmlischen göttlichen Flammen,
die nach euch verlangende gläubige Brust!
   Die Seelen empfinden die kräftigsten Triebe
   der brünstigsten Liebe
   und schmecken auf Erden die himmlische Lust.

De 'Flamme deiner Liebe' uit Nicolai's derde couplet inspireren de librettist tot een tekst die de sopraan, gebruikelijke personificatie van de gelovige Seele (Anima), gelegenheid biedt in aria (3) te getuigen van haar hartstochtelijk verlangen naar de hemel. Haar lied verschijnt des te stralender dankzij Bachs keuze voor een donker gekleurde begeleiding door de hobo da caccia en een pizzicato opdracht voor het continuo. Zanger en instrumentalist delen een levenslustig muzikaal thema (hieronder) dat voortdurend de steeds hoger reikende, flakkerende vlammetjes van Godsverlangen lijkt uit te beelden: de kräftigsten Triebe der brünstigsten Liebe aanvaardbaar beteugeld.
4. RECITATIEF (B)
Ein irdscher Glanz, ein leiblich Licht
rührt meine Seele nicht;
ein Freudenschein ist mir von Gott entstanden,
denn ein vollkommnes Gut,
des Heilands Leib und Blut,
ist zur Erquickung da.
So muß uns ja
der überreiche Segen,
der uns von Ewigkeit bestimmt
und unser Glaube zu sich nimmt,
zum Dank und Preis bewegen.
Op basis van Nicolai's coupletten 4 en 5 volgt een tweede secco recitatief (4), voor de bas: alle aardse lichtbronnen worden overstraald door een goddelijk aura, een Freudenschein, die door Bach met een vrolijk melisma wordt uitgelicht.

5. ARIA (T)
Unser Mund und Ton der Saiten
sollen dir
für und für
Dank und Opfer zubereiten.
  Herz und Sinnen sind erhoben,
  lebenslang
  mit Gesang,
  großer König, dich zu loben.


Het danklied (5) waartoe de bas oproept wordt gezongen door de tenor. Reeds Nicolai bezigt de woorden snaren, zang en muziek (Saiten, singen en Musica) waarop Bach dus zijn blazers onbenut laat en een aria schrijft voor Mund (d.w.z. tenor) en Saiten. In de instrumentale begeleiding lost Bach het probleem op hoe muziek in muziek af te beelden: hij componeert een concerto grosso waarin een concertino (klein concert), bestaande uit de twee soloviolen, opereert binnen het grotere. Zo horen we dus maar liefst zes Saitenstemmen. De twee concertinoviolen gaan meestal parallel, de tenor krijgt veel voor zijn kiezen. Deze lange (277 maten) aria, minder intiem dan (2), heeft een gave da-capostructuur: het eerste deel wordt ongewijzigd herhaald. Het middendeel introduceert geen nieuw muzikaal materiaal. Wel pauzeren de tuttiviolen langdurig.
6. KORAAL
Wie bin ich doch so herzlich froh,
daß mein Schatz ist das A und O,
der Anfang und das Ende;
er wird mich doch zu seinem Preis
aufnehmen in das Paradeis,
des klopf ich in die Hände.
Amen! Amen!
Komm, du schöne Freudenkrone,
bleib nicht lange,
deiner wart ich mit Verlangen.

Het slotkoraal (6) krijgt extra allure door de tweede hoorn: terwijl alle instrumentalisten zoals gebruikelijk colla parte partijen uit de vierstemmige harmonisering meespelen, blaast de tweede hoorn daar een zelfstandige vijfde stem doorheen.
omhoog


© Eduard van Hengel