J. S. BACH: Mache dich, mein Geist, bereit (BWV 115)

Beluister opnames van Harnoncourt, Richter, Christoph Coin, Suzuki,
 Schola Basiliensis of Leusink
Cantate 115 behoort tot Bachs tweede Leipziger jaargang en is dus een koraalcantate. Ze werd geschreven voor 4 november 1724, de tweeëntwintigste zondag na Trinitatis; het kerkelijk jaar loopt ten einde, Allerzielen en Allerheiligen zijn voorbij, de kerk bereidt zich voor op de laatste dingen, wanneer, zoals de slotregels van het koraal grimmig aankondigen, Gott wird richten und die Welt vernichten.
De evangelielezing voor deze zondag is uit Matteüs 18, de verzen 23-35, de gelijkenis van de ondankbare knecht die, nadat hem zelf grote schulden zijn kwijt gescholden, op zijn beurt meedogenloos optreedt tegen een collega van wie hij nog iets te goed heeft, en daarvoor ter verantwoording wordt geroepen. Het betrekkelijk recente en daarom wellicht in Leipzig nog niet zo vertrouwde koraal van Johann Burchard Freystein uit 1697, dat de basis vormt voor Bachs cantate, houdt slechts zijdelings met de evangelietekst verband; de cantate die Bach het vorig jaar voor deze zondag schreef (BWV 89) was daarop sterker betrokken. Mache dich, mein Geist bereit concentreert zich op het moment dat onverwachts de afrekening kan plaatsvinden: zorg dat je morele huishouding op orde is, waakt (delen 2 en 3) en bidt (delen 4 en 5), thema's die ook in twee andere novembercantates terugkomen: Wachet auf (BWV 140) en Wachet, betet (BWV 70).
Zoals in de cantates van zijn tweede jaargang gebruikelijk handhaaft Bach de teksten van het eerste en laatste (tiende) koraalvers voor opening en slot van zijn cantate, de twee aria's (2 en 4) zijn parafrases van Freysteins verzen 2 resp. 7, de recitatieven van de resterende ‘binnencoupletten' (3-6, 8-9).
Freysteins koraal staat in een majeur toonsoort (G-groot) dus zijn ook Bachs hoekdelen (1) en (6) in majeur, maar gezien de ernst van de boodschap staan de binnendelen (2) tot (5) in mineur.
1. KOOR
Mache dich, mein Geist, bereit,
wache, fleh und bete,
daß dich nicht die böse Zeit
unverhofft betrete;
denn es ist
Satans List
über viele Frommen
zur Versuchung kommen.

In de koraalfantasie (1) wordt het koor begeleid door een kwartet bestaande uit continuo, traverso, hobo d´amore en de - tot één donker gekleurde stem verenigde - strijkers. Tegenover de twee komende aria's in hun trage adagio-tempo heerst hier een levendige en activistische sfeer: 'de schouders eronder, laat je niet door Satan verrassen`.
Zoals in alle openingsdelen van koraalcantates speelt de sopraan de hoofdrol; zij zingt als cantus firmus in lange noten de acht regels van de tekst op zijn melodie, die is ontleend aan het koraal Straf mich nicht in deinen Zorn. Deze acht passages worden verbonden en omlijst door instrumentale passages die hun motieven ontlenen aan het inleidende ritornel van elf maten. Dat wordt geopend door de verzamelde strijkers (en het continuo, dat geen thematische bijdragen zal leveren) met het volgende, zes maten lange thema.

Pas na zes maten nemen ook hobo en traverso dit thema op, in canon, een halve maat na elkaar. Het thema - met de aantekening forte - bevat de gebiedende octaafsprong (Wache, Geeft acht!) waarvan ook de begeleidende stemmen alt, tenor en bas zich zullen bedienen.
De sopraan, gesteund door een 'corno' (schuiftrompet, cornetto?) trekt haar lange lijnen tijdloos, onaangedaan en verheven boven het gewoel van alle overige, vocale en instrumentale, stemmen; en - zoals gezegd - in een monter G-groot. De harmonische begeleiding werpt echter zo nu en dan wat schaduwen in duisterder toonaarden (c-klein, e-klein) om recht te doen aan de toch wat dreigende tekst (böse Zeit, unverhofft, Satans List etc.).
Na Satans verzoeking (regel 7) raakt de begeleiding even in het ongerede: de twee blazers trekken één lijn, gaan tijdelijk unisono verder en de strijkers spelen een tumultmotief  in zogeheten bariolage-techniek, zie hiernaast. Ook het afsluitend ritornel verandert daardoor: wanneer de zes inleidende maten van de strijkers lijken terug te keren begeleidt de traverso dat met het tumultmotief.
2. ARIA (A)
Ach schläfrige Seele, wie? ruhest du noch?
Ermuntre dich doch!
   Es möchte die Strafe dich plötzlich erwecken
   und, wo du nicht wachest,
   im Schlafe des ewigen Todes bedecken.
Het vierstemmig strijkersensemble met een voornamelijk de 1e viool verdubbelende  hobo d'amore begeleidt in aria (2) de alt, die als zo vaak de rol van kwetsbare gelovige speelt. De donkere toonsoort e-klein, een traag tempo (adagio) en een pulserende bas werken samen in een schets van de schläfrige Seele; een  slaaplied dat door het gepuncteerde 3/8 ritme van de siciliano en het thema met zijn sextsprong en dubbele voorslag (Schleifer) herinneren aan het Erbarme dich uit de Matthäus-Passion. Zelfs een vijfmaal herhaalde octaafsprong van het continuo op Ermuntre dich doch! (die aan deel (1) herinnert) weet de alt niet wakker te krijgen.
Pas onder strafdreiging (es mochte die Strafe ...) schrikt zij op uit haar verleidelijke slaap voor een energiek (Allegro), opgewonden en waakzaam middendeel. Bach licht de hand met de da-capostructuur (A-B-A) want al in de B-tekst keert het woord Schlaf weer terug maar nu in zijn betekenis van eeuwige dood, en daarbij past muzikaal een terugkeer van de slaapmotieven, maar nu in nog niet eerder gehoorde gewrongen en duistere harmonieën. Pas daarna volgt de voorgeschreven en onverkorte herhaling van het A-deel en lijkt de alt dus weer in te dommelen.
3. RECITATIEF (B)
Gott, so vor deine Seele wacht,
hat Abscheu an der Sünden Nacht;
Er sendet dir sein Gnadenlicht
und will vor diese Gaben,
die er so reichlich dir verspricht,
nur offne Geistesaugen haben.
Des Satans List ist ohne Grund,
die Sünder zu bestricken;
brichst du nun selbst den Gnadenbund,
wirst du die Hilfe nie erblicken.
Die ganze Welt und ihre Glieder
sind nichts als falsche Brüder;
doch macht dein Fleisch und Blut hiebei
sich lauter Schmeichelei.
De als altijd gezaghebbende bas vertolkt in recitatief (3) de centrale boodschap met aan drie van Freysteins verzen ontleende argumenten. Dissonante verminderd-septiemakkoorden kleuren woorden als Abscheu, List en Schmeichelei en natuurlijk gaat Satans List met een diabolus in musica, een verminderde kwint.
4. ARIA (S)
Bete aber auch dabei
mitten in dem Wachen!

   Bitte bei der großen Schuld
   deinen Richter um Geduld,
   soll er dich von Sünden frei
   und gereinigt machen!
Ook de intieme tweede aria (4) heeft een langzaam tempo, molto adagio zelfs.
Op het hiernaast afgebeelde thema, met zijn deemoedig dalende lijn, ontwikkelt de sopraan een contrapuntisch vlechtwerk met de twee begeleidende melodiestemmen, de traverso en  de violoncello piccolo. Het continuo - waartoe de piccolo cello dus niet behoort maar waarschijnlijk wel een violone - doet niet meer dan de maat slaan.
Maar de belangrijkste bijdrage levert de sopraan wanneer ze het polyfone spel doorkruist met haar dwingende oproepen bete en bitte, op lange noten die niet tot het thema behoren.
De eerste twee tekstregels citeren letterlijk de oorspronkelijke koraaltekst; Bach verbindt daarmee echter geen melodische toespeling.
5. RECITATIEF (T)
Er sehnet sich nach unserm Schreien,
er neigt sein gnädig Ohr hierauf;
wenn Feinde sich auf unsern Schaden freuen,
so siegen wir in seiner Kraft:
indem sein Sohn, in dem wir beten,
uns Mut und Kräfte schafft
und will als Helfer zu uns treten.
Met een eenvoudige seccorecitatief concludeert de tenor (5) dat wij op Gods hulp kunnen vertrouwen. Het vrije recitatief wordt nog wel afgesloten met een ritmisch arioso op de woorden und will als Helfer zu uns treten. Het woordje treten vormt aanleiding voor een in achtsten (en later in haastige zestienden) marcherend continuo.
Het recitatief voltrekt de wending van de mineur toonsoorten in de binnendelen naar het G-groot van (het openingskoor en) het slotkoraal.
6. KORAAL
Drum so laßt uns immerdar
wachen, flehen, beten,
weil die Angst, Not und Gefahr
immer näher treten;
denn die Zeit
ist nicht weit,
da uns Gott wird richten
und die Welt vernichten. 
Met het laatste couplet van Freysteins koraal (6) neemt het koor namens de verzamelde gelovigen de aanbevelingen ter harte tot waakzaamheid, smeken en bidden. In Bachs vierstemmige harmonisering van Freysteins melodie houdt de permanent in achtsten doorlopende bas ons wakker en bij de les. Alle blazers verdubbelen de sopraanpartij, de strijkers gaan colla parte met alle stemmen.
omhoog


© Eduard van Hengel