J. S. Bach: Herr Gott, Beherrscher aller Dinge (BWV 120a)

Beluister de opname van Koopman
De huwelijkscantate BWV 120a van 1729 staat in een parodie-relatie tot de Ratswechselkantate BWV 120 die ons is overgeleverd in een autografe partituur uit 1742, maar de deskundigen spreken elkaar tegen over de vraag welk van beide cantates de ander tot voorbeeld diende. Delen van de 1729-cantate zijn onmiskenbaar niet origineel maar of ze bewerkingen vormen van een vroegere uitvoering van BWV 120 of van een verdwenen voorbeeld dat aan beide ten grondslag lag is niet vast te stellen. In welke richting dan ook: er bestaan relaties tussen de delen 1,3 en 6  van BWV 120a met de delen 2,4, en 1 van BWV 120.
Van de huwelijkscantate ('Brautmesse') zijn ons trouwens slechts de vocale partijen en het laatste deel van de partituur overgeleverd, maar geholpen door de parodierelaties, liet de cantate zich (o.m. door Koopman en Suzuki) tamelijk eenvoudig
reconstrueren. De ontleningen aan uiteenlopende vroegere composities waarvan de vlekkeloze handschriftresten van BWV 120a getuigen, geven dit gelegenheidswerk het karakter van een pasticcio, een 'copy/paste-compositie'.  
1. KOOR

Herr Gott, Beherrscher aller Dinge,
der alles hat, regiert und trägt,
durch den, was Odem hat, sich regt,
wir alle sind viel zu geringe
der Güte und Barmherzigkeit,
womit du uns von Kindesbeinen
bis auf den Augenblick erfreut.

Koopman
Het eclatante openingskoor, dat we aan het einde van zijn carrière zullen aantreffen als het Et expecto resurrexionis (BWV 232II/9, 1748/49), is hier zeker geen origineel maar het meer uitgewerkte deel 2 van BWV 120 zal hier niet tot voorbeeld gediend hebben, gezien zijn ongelukkiger tekstplaatsing. Waarschijnlijk dus naar een zoekgeraakt, ouder origineel, misschien uit Köthen.
2. RECITATIEF (B, T); KOOR

(B)  Wie wunderbar, o Gott, sind deine Werke,
wie groß ist deine Macht,
wie unaussprechlich deine Treu!
Du zeigest deiner Allmacht Stäke,
eh du uns auf die Welt gebracht.
Zur Zeit,
wenn wir noch gar nichts sein
und von uns selbst nichts wissen,
ist deine Liebe und Barmherzigkeit
vor unser Wohlgedeihn
aufs eifrigste beflissen;
der Name und die Lebenszeit
sind bei dir angeschrieben,
wenn wir noch im Verborgnen blieben;
Ja, deine Güte ist bereit,
wenn sie uns auf die Welt gebracht,
uns bald mit Liebesarmen zu umfassen.
und dass wir dich nicht aus dem Sinne lassen,
so wird uns deine Güt und Macht
an jedem Morgen neu.
Drum kommts, da wir dies wissen,
dass wir von Herzensgrunde rühmen müssen:

(KOOR)
Nun danket alle Gott,
der große Dinge tut an allen Enden.

(T) Nun, Herr, es werde diese Lieb und Treu
auch heute den Verlobten neu;
und da jetzt die Verlobten beide
vor dein hochheilig Angesichte treten
und voller Andacht beten,
so höre sie vor deinem Throne
und gib zu unsrer Freude,
was ihnen gut und selig ist, zum Lohne.


Koopman

Het secco recitatief (2) voor bas en tenor wordt onderbroken door een koormotet op een tekst uit het oudtestamentische boek Jesus Sirach 50:23.
3. ARIA (S)

Leit, o Gott, durch deine Liebe
dieses neu verlobte Paar.
Mach an ihnen kräftig wahr,
was dein Wort uns vorgeschrieben,
dass du denen, die dich lieben,
wohltun wollest immerdar.


Koopman

Aan de sopraanaria (3) die met andere tekst figureert als nr.4 in de Ratswechselkantate, ligt waarschijnlijk ten grondslag een verloren aria uit Köthen voor eenzelfde bezetting; de muziek vinden we terug in de eveneens te Köthen ontstane sonate in G-groot (BWV 1019a/1) voor viool en cembalo, waarbij de zangpartij in de rechterhand van het clavecimbel terecht kwam.
DEEL II


4. SINFONIA


Koopman


Het tweede deel van de cantate, uit te voeren na de huwelijkssluiting, begint louter instrumentaal: met een orkestratie van het Preludio uit de vioolpartita in E-groot (BWV 1006); de vioolsolo is verhuisd naar de rechterhand van het orgel en er is een vierstemmige strijkers begeleiding toegevoegd. Nog verder uitgebreid, met drie trompetten en pauken keert het stuk terug in 1731, ter opening van de Ratswahlcantate BWV 29.

5. RECITATIEF (T); KOOR

(T)
Herr Zebaoth,
Herr, unsrer Väter Gott,
erhöre unser Flehn,
gib deinen Segen und Gedeihn
zu dieser neuen Ehe,
dass all ihr Tun in, von und mit dir gehe.
Lass alles, was durch dich geschehen,
in dir gesegnet sein,
vertreibe alle Not
und führe die Vertrauten beide
so, wie du willt,
nur stets zu dir.
So werden diese für und für
mit wahrer Seelenfreude
und deinem reichen Segen,
an welchem alles auf der Welt gelegen,
gesättigt und erfüllt.

(KOOR)
Erhör uns, lieber Herre Gott.

Koopman
De zegenbede van de tenor in secco-recitatief (5) wordt, evenals recitatief (2) bekrachtigd met een responsie van het koor: een vierstemmige zetting van de éénstemmige liturgische regel uit Luthers Litanie van 1528.
6. ARIA (A, T)

Herr, fange an und sprich den Segen
auf dieses deines Dieners Haus.
   Lass sie in deiner Furcht bekleiben,
   so werden sie in Segen bleiben;
   erheb auf sie dein Angesichte,
   so gehts gewiss in Segen aus.

Koopman

Het duet van alt en tenor (6) vinden we in BWV 120 terug als openingsaria voor altsolo op de (titel-)tekst Gott, man lobet dich in der Stille. Maar zie in het muziekvoorbeeld hoe Bach, bij gelijkblijvende begeleiding door twee oboi d'amore en strijkers, de alt- en continuopartijen bewerkt.








Ook de 28 maten middendeel in fis-klein op de tekst Lass sie in deiner Furcht etc ontbreken in BWV 120.
7. RECITATIEF (B)

Der Herr, Herr unser Gott, sei so mit euch,
als er mit eurer Väter Schar
vor diesem und auch jetzo war.
Er pflanz euch Ephraim und dem Manasse gleich.
er lass euch nicht,
er zieh nicht von euch seine Hand.
er neige euer Herz und Sinn
stets zu ihm hin,
dass ihr in seinen Wegen wandelt,
in euern Taten weislich handelt.
Sein Geist sei euch stets zugewandt.
wenn dieses nun geschicht,
so werden alle eure Taten
nach Wunsch geraten.
Und eurer frommen Eltern Segen
wird sich gedoppelt auf euch legen.
Wir aber wollen Gott mit Lob und Singen
ein Dank- und Freudenopfer bringen.

Koopman

Ook de bas bidt om zegen voor het bruidspaar.
8. KORAAL

Lobe den Herren,
der deinen Stand sichtbar gesegnet,
der aus dem Himmel
mit Strömen der Liebe geregnet.
Denke daran,
was der Allmächtige kann,
der dir mit Liebe begegnet.

Lobe den Herren,
was in mir ist, lobe den Namen.
Alles, was Odem hat,
lobe mit Abrahams Samen.
Er ist dein Licht,
Seele, vergiss es ja nicht;
Lobende, schließe mit Amen!

Koopman
Waarna de gemeente de zegenbede onderstreept met het vierde en vijfde couplet van het lied Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren van Joachim Neander (1680). De hamonisering is ontleend aan het slotkoraal van cantate 137; de trompetten en pauken worden geacht alleen in het tweede couplet de begeleiding te versterken.
omhoog


© Eduard van Hengel