J. S. BACH: Tue Rechnung! Donnerwort (BWV 168)

Beluister opnames van Harnoncourt,
Koopman, Bachstiftung, Rilling of Leusink.
Bach schrijft zijn cantate 168 voor 29 juli 1725, zondag Trinitatis. Hij is dan dus precies twee jaar Director musices in Leipzig, met de verplichting wekelijks cantates uit te voeren in de beide hoofdkerken, de Nicolai- en de Thomaskirche. Zelf had hij besloten die cantates dan ook eigenhandig te componeren en zo beschikt hij op deze eerste zondag na Pinksteren over twee vrijwel volledige jaargangen cantates. Op dat moment heeft hij blijkbaar besloten het compositorisch wat rustiger aan te doen: uit de eerstvolgende acht weken zijn ons van hem geen cantates overgeleverd terwijl we wel weten dat hij er enkele van Telemann heeft uitgevoerd. Pas voor de  de negende zondag na Trinitatis schrijft hij weer een nieuwe cantate: BWV 168.
De evangelietekst waarop een cantate voor deze zondag dient aan te sluiten is Lucas 16:1-9, de parabel van de onrechtvaardige rentmeester, een tekst waarover veel exegetisch is getobd, want wat is het geval? Jezus vertelt hoe een wegens wanbeheer ontslagen rentmeester nog snel even een wit voetje haalt bij schuldenaren van zijn baas door ze - op diens kosten - een forse schuldreductie te offreren. Tot ieders verbazing prijst Jezus deze rentmeester, voorbijgaand aan ‘s mans evident frauduleuze handelen, vanwege zijn gewiekstheid: door uitgekookt optreden in een - verachtelijke - wereld vol onrecht en bezitsverheerlijking heeft hij een hoger doel weten te bereiken: vrienden op wie hij kan rekenen. 'Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon', de 'kinderen der duisternis' zijn slimmer dan de 'kinderen des Lichts'.
De tekstdichters van de drie cantates die Bach voor deze zondag schreef accentueren verschillende aspecten van deze evangeliepericoop. De koraalcantate uit 1724 (Was frag ich nach der Welt, BWV 94) concentreert zich op de afwijzing van alle werelds genot, geld, macht, eer, spullen etc. Bachs eerste cantate, uit 1723 (Herr, gehe nicht ins Gericht, BWV 105), behandelt de onmogelijkheid voor een zondig mens om zich ooit voor God te rechtvaardigen. BWV 168, Tue Rechnung! Donnerwort, blijft het dichtst bij de bijbeltekst. Bach gebruikt een libretto uit een in 1715 gepubliceerde bundel van de Weimarer hofbibliothecaris Salomon Franck, waaruit hij ook reeds voor zijn cantates in Weimar putte. Ten dienste van het thema 'verantwoording afleggen' liet Franck zich inspireren door zijn nevenfunctie als beheerder van het muntenkabinet en doorspekt hij zijn tekst met talrijke boekhoudkundige metaforen: de mens is een rentmeester die leven, lijf en goed van God te leen krijgt, het is kapitaal waarmee gewoekerd moet worden, schulden moeten worden afbetaald, rekeningen moeten kloppen, Christus staat borg en heeft de rekening voldaan etc.
Qua instrumentarium vergt de cantate een continuogroep, strijkers en twee oboi d'amore. Er zijn aria's en/of recitatieven voor alle vier de stemmen, sopraan, alt, tenor en bas. Slechts het slotkoraal is vierstemmig; het ligt voor de hand te veronderstellen dat dit slechts door de vier solostemmen (‘concertisten') zal zijn uitgevoerd. Dat erkennen zelfs commentatoren die zich overigens verzetten tegen het idee dat Bachs ensemble - ook wanneer de partituur grote koren bevat - slechts zelden groter was.
1. ARIA (B)
Tue Rechnung! Donnerwort,
das die Felsen selbst zerspaltet,
Wort, wovon mein Blut erkaltet!
Tue Rechnung! Seele, fort!
Ach, du mußt Gott wiedergeben
seine Güter, Leib und Leben!
Tue Rechnung! Donnerwort!
In de dramatische aria (1) vertolkt de bas als een oudtestamentisch wraakzuchtige God of een vertoornde grootgrondbezitter de verontrustende order 'Leg verantwoording af!', een citaat uit de evangelielezing (Lucas 16:2). Met gepuncteerde ritmen illustreren de strijkers hoe dit woord, dat rotsen verbrijzelt, erin hakt (muziekvoorbeeld). De bas verbindt de voortdurende triolen van het continuo met het Donnerwort. Aan het slot van het instrumentale ritornel verenigen strijkers en continuo zich tot een unisono van rommelende donders: de rechter verschijnt! Alleen op erkaltet verstilt het rumoer voor even.
In het middendeel zwijgen de strijkers en ook de stemvoering van de bas zorgt voor een wat behaaglijker sfeer, alleen in de continuobas handhaaft zich het aanstormend onweer. Reeds Francks libretto voorzag in herhaling van de openingszin, Bach componeert dan ook geen da capo (zoals in geen van de aria's in deze cantate), maar herhaalt slechts het inleidend ritornel.
2. RECITATIEF (T)
Es ist nur fremdes Gut,
was ich in diesem Leben habe;
Geist, Leben, Mut und Blut
und Amt und Stand ist meines Gottes Gabe,
es ist mir zum Verwalten
und treulich damit hauszuhalten
von hohen Händen anvertraut.
Ach! aber ach! mir graut,
wenn ich in mein Gewissen gehe
und meine Rechnungen so voll Defekte sehe!
Ich habe Tag und Nacht
die Güter, die mir Gott verliehen,
kaltsinnig durchgebracht!
Wie kann ich dir, gerechter Gott, entfliehen?
Ich rufe flehentlich:
Ihr Berge fallt! ihr Hügel, decket mich
vor Gottes Zorngerichte
und vor dem Blitz von seinem Angesichte!

Na de grimmige opening bezint de tenor zich op zijn tekortkomingen in het meer didactische recitatief (2). Behalve het continuo begeleiden hem ook de twee oboi d'amore, die in de openingsaria opvallend afwezig waren. Maar ter ondersteuning van de nogal boekhoudkundige tekst hebben zij weinig meer dan lange noten te spelen. Dissonante harmonieën (‘verminderd-septiemakkoorden') onderstrepen Ach! mir graut, maar ook negatief geladen woorden als fremdes Gut, defekte Rechnungen, Nacht en kaltsinnig. Pas in het meer ritmisch (arioso) voorgedragen slot krijgen de hobo's een actievere rol. Met een omspeelde wending van mineur naar majeur (m. 15/16) verwelkomen ze de mogelijkheid van een beroep op de rechtvaardige God, en ze illustreren de val van bergen en heuvels met een dalende en de bliksem (Blitz) met een stijgende figuur.
3. ARIA (T)
Kapital und Interessen,
meine Schulden groß und klein
müssen einst verrechnet sein.
Alles, was ich schuldig blieben,
ist in Gottes Buch geschrieben
als mit Stahl und Demantstein.
Unisono spelend, tot één stem verenigd, begeleiden de twee hoboïsten de tenor, tesamen met het continuo, in aria (3). Hoewel de tekst schuldbewustzijn beklemtoont en de muziek in een mineur toonsoort (fis-klein) staat, is de sfeer van deze dansante aria, een elegant menuet in 3/8-maat, aangenaam luchtig en ontspannen.  Een knipoog wellicht naar het mondaine leven in Leipzig, waar uiterlijke vrolijkheid en rijkdom geestelijke armoe kan verbloemen.
De tweedelige tekst leidt tot drie vocale passages, omlijst door een instrumentaal ritornel van tweemaal twaalf maten en gescheiden door variaties daarvan; de tweede teksthelft wordt tweemaal doorgenomen (A-B-B), er is geen da capo. Een lang melisma, het gehele octaaf doorkruisend, onderstreept het Alles, lange noten illustreren de onuitwisbaarheid van de in staal en diamant gegrifte schuldposities.
De oude, negentiende-eeuwse Bachgesellschaft achtte begrippen als Kapital und Interessen te profaan voor een kerkelijke aria en verving ze door Alle Schulden die ich habe, en veranderde verderop schuldig in unbezahlt. De nieuwe Bachausgabe redresseerde dergelijke 'verbeteringen' en allerlei andere taalkundige updates.
4. RECITATIEF (B)
Jedoch, erschrocknes Herz, leb und verzage nicht!
Tritt freudig vor Gericht!
Und überführt dich dein Gewissen,
du werdest hier verstummen müssen,
so schau den Bürgen an,
der alle Schulden abgetan!
Es ist bezahlt und völlig abgeführt,
was du, o Mensch, in Rechnung schuldig blieben;
des Lammes Blut, o großes Lieben!
hat deine Schuld durchstrichen
und dich mit Gott verglichen!
Es ist bezahlt, du bist quittiert!
Indessen, weil du weißt,
daß du Haushalter seist,
so sei bemüht und unvergessen,
den Mammon klüglich anzuwenden,
den Armen wohlzutun,
so wirst du, wenn sich Zeit und Leben enden,
in Himmelshütten sicher ruhn.
Basrecitatief (4), louter door continuo begeleid, voltrekt de positieve wending in de cantate: Christus staat borg voor zijn volgelingen en heeft hun openstaande rekeningen voldaan. En wees zo slim om geld en goed ten dienste van armen te stellen. De heilsboodschap in boekhoudersformat geeft Bach weinig gelegenheid tot interessante muziek: wrange verminderd-septiemakkoorden op negativa als erschrocknes, schuldig en Armen, en een dalend lijntje op und völlig abgeführt (dat zijn betekenis zou verliezen wanneer men de alternatieve tekst van de oude Bachgesellschaft volgt: bis auf den letzten Rest.)
5. ARIA / DUET (S, A)
Herz, zerreiß des Mammons Kette!
Hände, streuet Gutes aus!
Machet sanft mein Sterbebette,
bauet mir ein festes Haus,
das im Himmel ewig bleibet,
wenn der Erden Gut zerstäubet.
Van hun zware schuldenlast bevrijd zingen alt en sopraan als vertegenwoordigers van de gelovigen een opgelucht duet (5). De sobere begeleiding, alleen continuo, zou je spartaans kunnen noemen, illustratief voor een van wereldse verleidingen bevrijde levenswijze. Maar muzikaal speelt de continuogroep een hoofdrol: het inleidende instrumentale ritornel van vier maten kent een baslijn die in het vervolg van de aria een keer of tien op verschillende toonhoogten vrijwel ongewijzigd zal worden herhaald. In deze vier maten hebben de eerste twee een krachtige, hoekige figuur, die naar het verbrijzelen van ketenen verwijst, en de laatste een lieflijk sicilianoritme, waarmee het zachte bedje wordt gespreid. Boven deze quasi-ostinate continuolijn klinken drie vocale passages waarin alt en sopraan de driemaal twee regels met telkens andere muziek canonisch vertolken, waarbij aanvankelijk de alt het initiatief heeft.
De eerste regels worden gekarakteriseerd met een scherp geprofileerd zerreiß, gevolgd door een rust (verbreek) en dan een lange reeks noten (melisma) op Kette; machet sanft mein Sterbebette gaat met twee dalende lijnen en donkere harmonieën, ein festes Haus met solide homofonie. Bij het derde en laatste regelpaar, das im Himmel etc., begint de sopraan ter afwisseling als eerste de canon, in hoge ligging; ewig bleiben wordt natuurlijk met lange liggende noten geïllustreerd en zerstäubet (verpulverd) met een lange coloratuur.
6. KORAAL
Stärk mich mit deinem Freudengeist,
heil mich mit deinen Wunden,
wasch mich mit deinem Todesschweiß
in meiner letzten Stunden;
und nimm mich einst, wenn dirs gefällt,
in wahrem Glauben von der Welt
zu deinen Auserwählten.
Tot slotkoraal (6) dient het ernstige achtste couplet van Bartholomäus Ringwaldts Herr Jesu Christ, du höchstes Gut (1588) in Bachs vierstemmige harmonisering. De vocalisten worden colla parte door de strijkers gesteund, de sopraan bovendien door de beide oboi d'amore.
omhoog


© Eduard van Hengel