J. S. BACH: Brich dem Hungrigen dein Brot (BWV 39)

Beluister opnames van Leonhardt, Richter, Herreweghe, Johannsen of Leusink.
Bach componeerde zijn cantate 39 voor de 23e juni 1726, dat jaar de eerste zondag na Trinitatis (Drievuldigheidszondag), de zondag waarvoor hij drie jaar eerder de eerste cantate na zijn aantreden als Thomaskantor in Leipzig had geschreven. Terwijl Bach in zijn eerste ambtsjaren wekelijks een cantate componeerde en dus na twee jaar over twee complete cantatejaargangen beschikte, halveerde hij zijn tempo vanaf Trinitatis 1725, zodat BWV 39 tot zijn derde jaargang behoort.
Aan Brich dem Hungrigen dein Brot kleefde lang de legende dat zij zou geschreven zijn toen een groep van 1800, door een verlate contrareformatie uit Salzburg gevluchte protestanten in 1732 onderdak in Leipzig zocht; de correcte datering van BWV 39 weerlegde dit sprookje.
Het libretto voor deze cantate ontleent Bach aan een bekende, al wat oudere bundel cantateteksten, in 1704 aan het hof te Meiningen ontstaan en wellicht door de hertog Ernst Ludwig zelf geschreven. Hierrin werden voor het eerst koraal- en bijbelteksten gecombineerd met uit de Italiaanse opera afkomstige recitatieven en aria's op vrij gedichte teksten. Uit deze bundel putte ook de aan het hof te Meiningen werkzame Johann Ludwig Bach (de 'Meininger Bach', 1677-1731), een verre achterneef van Sebastian, wiens cantates Bach zozeer bewonderde dat hij er zelf in 1726 achttien van uitvoerde te Leipzig. Deze cantates hebben een vaste vorm: twee delen, uit te voeren vóór en na de preek, elk ingeleid door een oud- resp, nieuwtestamentisch bijbelwoord en gevolgd door een recitatief/aria-combinatie en besloten met een koraal. Door verwisseling van de recitatief/aria-volgorde in het tweede deel hebben ze een symmetrische structuur rond het nieuwtestamentische schriftwoord.
De evangelielezing voor deze zondag is Lucas 16: 19-31, een door Jezus uitgesproken gelijkenis over de rijke man en de arme Lazarus, wier rollen na hun dood pijnlijk verwisseld blijken. In twee eerdere cantates voor deze zondag concentreerde Bach zich resp. op het onderscheid arm/rijk (Die Elenden sollen essen, BWV 75, 1723) en op een oproep tot boetvaardigheid (O Ewigkeit, du Donnerwort I, BWV 20, 1724); in 1726 ligt de nadruk op het verlenen van materiële hulp aan behoeftigen en de van God ondervonden barmhartigheid.
DEEL I

1. KOOR
» Brich dem Hungrigen dein Brot
und die, so im Elend sind,
führe ins Haus.
So du einen nacket siehest,
so kleide ihn und entzeuch dich nicht von deinem Fleisch.
Alsdenn wird dein Licht herfürbrechen
wie die Morgenröte,
und deine Besserung wird schnell wachsen,
und deine Gerechtigkeit wird für dir hergehen,
und die Herrlichkeit des Herrn wird dich zu sich nehmen.
«



De uit het Oude Testament afkomstige tekst van het imponerende openingskoor (1) is Jesaja 58:7-8, een tekst van maar liefst acht regels; de componist moet zorgen dat alle verschillende noties daarvan tot hun recht komen zonder te vervallen in een structuurloze opeenvolging van stukjes. Bach doet dat door (zie het schema) de tekst te verdelen in drie delen waartussen de maat wisselt: van een driekwartsmaat via een 4/4 () naar een snelle 3/8. Het middendeel (II) is het kortst; de omliggende hoekdelen zijn qua muzikale vormgeving elkaars gespiegelde: (I) is een fuga, geflankeerd door twee homofone (akkoordische) gedeelten op eenzelfde tekst en met eenzelfde instrumentale begeleidingsvorm, terwijl in (III) een homofoon gedeelte wordt geflankeerd door twee thematisch verwante fuga's.
DEEL/
maatsoort

maten
tekst
sinfonia 1 - 22 instrumentaal
I    (3/4) homofoon
23 - 47
Brich dem Hungrigen dein Brot,
und die, so im Elend sind, führe ins Haus,
FUGA
47 - 70
idem
homofoon
70 - 94 herhaling 23 - 47 (gemodificeerd)
II    (4/4) homofoon 94 - 106
so du einen nacket siehest, so kleide ihn
und entzeuch dich nicht von deinem Fleisch.
III   (3/8)

FUGA
106 - 138
Alsdenn wird dein Licht herfürbrechen wie die Morgenröte
homofoon 138 - 145
und deine Besserung wird schnell wachsen,
149 - 164 und deine Gerechtigkeit wird für dir hergehen,
FUGA 167 - 207 und die Herrlichkeit des Herrn wird dich zu sich nehmen.
De instrumentalisten bereiden de koorinzet voor met een sinfonia, die vervolgens als begeleiding van het eerste deel zal dienen; door telkens twee akkoorden toe te wijzen aan achtereenvolgens de twee blokfluiten, de twee hobo's en de twee violen brengt Bach het verdelen van brood onnavolgbaar in beeld. Het koor op zijn beurt illustreert het broodbreken door een gefragmenteerde vertolking van de eerste woorden: Brich (rust) dem Hungrigen (rust) dein Brot. Ook overigens wordt er veel tekst geïllustreerd: bij führe in das Haus maakt de gebroken begeleidingsfiguur plaats voor langere lijnen, Elend gaat gepaard met schrijnende halve tonen (chromatiek), Morgenröte krijgt een uitgebreide stralende coloratuur etc. In alle delen, ook waar de meeste instrumenten in de fuga's slechts colla parte met de vocale stemmen meespelen, blijft er een zelfstandige rol voor de blokfluiten, het 'armelui's instrument' (Bach beschikte immers intussen over uitstekende traversospelers), als voortdurende herinnering aan de behoeftigen om wie het hier gaat. Met een uitbundige fuga die de Herrlichkeit des Herren bezingt, eindigt dit ongewoon lange openingskoor, waarin we Bach op de toppen van zijn kunnen zien.
2. RECITATIEF (B)
Der reiche Gott wirft seinen Überfluß
auf uns, die wir ohn ihn
auch nicht den Odem haben.
Sein ist es, was wir sind;
er gibt nur den Genuß,
doch nicht, daß uns allein
nur seine Schätze laben.
Sie sind der Probestein,
wodurch er macht bekannt,
daß er der Armut
auch die Notdurft ausgespendet,
als er mit milder Hand,
was jener nötig ist, uns reichlich zugewendet.
Wir sollen ihm für sein gelehntes Gut
die Zinse nicht in seine Scheuren bringen;
Barmherzigkeit, die auf dem Nächsten ruht,
kann mehr als alle Gab
ihm an das Herze dringen.




In het slechts door continuo begeleide (secco) recitatief (2) legt de bas uit hoe Gods barmhartigheid jegens ons, ons op onze beurt tot daadwerkelijke naastenliefde verplicht.
3. ARIA (A)
Seinem Schöpfer noch auf Erden
nur im Schatten ähnlich werden,
ist im Vorschmack selig sein.
Sein Erbarmen nachzuahmen,
streuet hier des Segens Samen,
den wir dorten bringen ein.




Tot die navolging bekent zich de alt in aria (3), een gracieus kwartet met continuo, hobo en viool: een vergeleken met het openingskoor kleinschalige en intieme bezetting. Het ritme (in 3/8 maat) herinnert aan een menuet of een passepied. De aria heeft (evenals (5)) geen da-capostructuur: drie vocale passages - de tweede zin wordt tweemaal behandeld - worden omkaderd en afgewisseld door vier instrumentale ritornello's.
DEEL II

4. ARIOSO (B)
»Wohlzutun und mitzuteilen vergesset nicht;
denn solche Opfer gefallen Gott wohl.
«

Het tweede deel van de cantate ('na de preek') opent (4) met het nieuwtestamentische schriftwoord Hebreeën 13:16. De bas, die ook altijd als Vox Christi optreedt, vertolkt de vergelijkbaar belerende tekst, slechts sober begeleid door het continuo, dat twee telkens terugkerende (ostinate) maar toch gevarieerde motieven speelt. Omdat er geen madrigale, vrij gedichte tekst is, kan het stuk niet als aria worden beschouwd. Vrijwel alle woorden worden geaccentueerd: gefállen (m. 19 en 39), Gott (m. 23 en 43), Opfer (m. 19, 25, 47).
5. ARIA (S)
Höchster, was ich habe,
ist nur deine Gabe.
Wenn vor deinem Angesicht
ich schon mit dem Deinen
dankbar wollt erscheinen,
willt du doch kein Opfer nicht.




Begeleid door twee unisono spelende blokfluiten relativeert de sopraan deze strenge onderwijzing enigszins met haar lieflijke aria (5): van echte offers kan natuurlijk geen sprake zijn, want alles wat wij hebben is ons reeds door God gegeven. Het unisono-spel van de twee blokfluiten maakt hun zachte timbre wat penetranter dankzij de kleine, zelfs bij geroutineerde blokfluitisten onvermijdelijk optredende intonatieverschillen. Cantate 39 is trouwens de laatste waarin Bach de in onbruik gerakende, want door traverso's 'achterhaalde' blokfluiten voorschrijft.
6. RECITATIEF (A)
Wie soll ich dir o Herr!
denn sattsamlich vergelten,
was du an Leib und Seel
mir hast zugut getan?
Ja, was ich noch empfang,
und solches gar nicht selten,
weil ich mich jede Stund
noch deiner rühmen kann?
Ich hab nichts als den Geist,
dir eigen zu ergeben,
dem Nächsten die Begierd,
daß ich ihm dienstbar werd,
der Armut, was du mir
gegönnt in diesem Leben,
und, wenn es dir gefällt,
den schwachen Leib der Erd.
Ich bringe, was ich kann, Herr!
laß es dir behagen,
daß ich, was du versprichst,
auch einst davon mög tragen.


Terwijl het - symmetrisch gestructureerde - solistengedeelte van deze cantate begon met een rationele uitleg van de bijbelse boodschap, besluit de alt (6) het met een hoogst persoonlijke dankbetuiging, in de vorm van een recitatief dat haar/zijn woorden door een strijkersbegeleiding speciale glans verleent. De laagste noten illustreren de woorden Armut (een grote (overmatige) dalende sextsprong) en den schwachen Leib der Erd.
7. KORAAL
Selig sind, die aus Erbarmen
sich annehmen fremder Not,
sind mitleidig mit den Armen,
bitten treulich für sie Gott.
Die behülflich sind mit Rat,
auch, wo möglich, mit der Tat,
werden wieder Hülf empfangen
und Barmherzigkeit erlangen.


BWV 39 eindigt (7) met een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het zesde couplet van David Denickes lied Kommt, laßt euch den Herren lehren (1648); zoals de tekst Selig sind, die aus Erbarmen doet vermoeden, parafraseert dit lied Jezus' zaligsprekingen uit Matteüs 5. Het wordt gezongen op de bekende melodie van Freu dich sehr, o meine Seele; instrumenten versterken de vocale stemmen colla parte.
omhoog


© Eduard van Hengel