J. S. BACH: Darzu ist erschienen der Sohn Gottes (BWV 40)

Beluister opnames van Leonhardt,
Rotzsch, Rilling, Koopman of Leusink.
Bach schreef zijn cantate 40 voor Tweede Kerstdag 1723, dus in zijn eerste Kerst- en Nieuwjaarsperiode als Thomascantor in Leipzig, een periode die van een cantor een enorme muziekproductie vergde, waarvoor hem ook enige tijd gegund werd dankzij de muziekstop (tempus clausum) gedurende de vier weken Advent. In de twaalf dagen tussen Kerst en Driekoningen (Epifanie) gingen de cantates 40, 64, 190, 153 en 65 in première, benevens het Magnificat (BWV 243a) en het Sanctus (BWV 238), terwijl zijn al in Weimar geschreven cantates BWV 61 en 63 heruitvoeringen beleefden, de laatste waarschijnlijk zelfs drie maal op Eerste Kerstdag: om 7.00 uur tijdens de mis in de Thomaskerk, om 9.00 uur in de universitaire St. Pauli en om 13.30 uur tijdens de vespers in de Nicolaïkerk (zie Bachs kerstagenda).
In de kerstcantate BWV 40 zoek je vergeefs naar de engelen en de herders die je er verwacht op grond van de voorgeschreven evangelietekst (Lucas 2: 15-20) en het tweede deel van het Weihnachtsoratorium met de bekende 'Hirtenmusik'. Het woord Darzu duidt erop dat hier dieper wordt gegraven: waartoe kwam Jezus op aarde? Dat wordt deels uitgelokt door het feit dat 26 december ook de feestdag is van de heilige Stefanus, de eerste christelijke martelaar, die te Jeruzalem werd gestenigd en wiens herdenking (met eigen schriftlezingen) prevaleert boven de Tweede Kerstdag wanneer dat een vrijdag, zaterdag of zondag is. Stefanuscantates zijn altijd doortrokken van strijd tegen het kwaad en de Satan, en hebben meestal een nogal martiaal karakter.
Uitzonderlijk aan de lange, achtdelige cantate BWV 40 is dat er maar liefst drie vierstemmig geharmoniseerde koralen in voorkomen, en niet omdat de potentieel overwerkte koorleden moesten worden ontzien, maar omdat de cantate duidelijk uit drie, elk met een koraal afgesloten delen bestaat: de viering van de komst van Christus (delen 1-3), de strijd tegen het kwaad, belichaamd in de slang (4-6) en de vreugde over diens nederlaag (7-8).
1. KOOR
»Darzu ist erschienen der Sohn Gottes,
daß er die Werke des Teufels zerstöre.
«

 
Het briljante openingskoor (1) geeft een eerste antwoord op de waartoe-vraag, ontleend aan de eerste brief van de apostel Johannes (1 Joh. 3:7): daß er die Werke des Teufels zerstöre, en die werken van de duivel zijn de zonden, aldus het voorafgaande vers. De twee belangrijkste personages van de cantate, protagonist en antagonist, zijn daarmee geïntroduceerd, maar het accent ligt op Christus' verschijning en daartoe is het orkest feestelijk geëquipeerd met twee hoorns, attributen van koninklijke waardigheid. In de instrumentale inleiding concerteren (‘wedijveren') zij met twee andere groepen, de twee hobo's en de strijkers. De sfeer is ceremonieel en strijdlustig, gelijk een triomfantelijke processie bij de thuiskomst van een Romeinse veldheer. Als troepen in slagorde scandeert het koor bloksgewijs en homofoon de boodschap van Christus' komst, waarbij de tweede regel daß er die Werke etc. klinkt op een hamerend motief, dat in het fugatische middendeel als tweede thema zal fungeren. Na de exuberante opening klinkt de expositie van de dubbelfuga door het koor a cappella ingetogen; gaandeweg voegen zich de instrumenten weer in. De fugastructuur is nogal losjes; het tweede, rechtlijnige Teufels-thema krijgt nauwelijks kansen, het eerste thema Darzu ist erschienen etc. domineert onmiskenbaar en de inzetten verdichten zich (in 'Engführung') tot  negen keer in vijf maten (m.45-49).
fugathema's bwv 40


Tenslotte keert de aanvankelijke martiale en uitdagende lofprijzing in gewijzigde vorm weer terug.
Vijftien jaar later was Bach nog zo tevreden over dit koor dat hij het hergebruikte voor het slotdeel Cum Sancto Spiritu van zijn Lutherse Mis in F (BWV 233).
2. RECITATIEF (T)
Das Wort ward Fleisch und wohnet in der Welt,
das Licht der Welt bestrahlt den Kreis der Erden,
der große Gottessohn
verläßt des Himmels Thron,
und seiner Majestät gefällt,
ein kleines Menschenkind zu werden.
Bedenkt doch diesen Tausch, wer nur gedenken kann;
Der König wird ein Untertan,
der Herr erscheinet als ein Knecht
und wird dem menschlichen Geschlecht
- o süßes Wort in aller Ohren! -
zu Trost und Heil geboren.

Aansluitend bij de bekende woorden van de evangelist Johannes (1:14) Das Wort ward Fleisch resumeert de tenor in zijn recitatief (2) het wonder van Gods menswording in Christus in optimistische sfeer. Bestrahlt krijgt een over een octaaf (de hele wereld) stijgende coloratuur die door het concituo wordt herhaald. De große Gottesdsohn staat met een hoge A tegenover het kleines Menschenkind, lage C. Waar de tekst tot bedachtzaamheid oproept (Bedenkt doch...) domineren mineur toonsoorten.
3. KORAAL
Die Sünd macht Leid;
Christus bringt Freud,
weil er zu Trost in diese Welt ist kommen.
Mit uns ist Gott
nun in der Not:
Wer ist, der uns als Christen kann verdammen?


Koraal (3) besluit het strikte kerstgedeelte van de cantate; het is weliswaar een kerstkoraal (Wir Christenleut habn jetzund Freud van Kaspar Füger, 1592) maar tekst en muziek van het derde couplet, Die Sünd macht Leid, Christus bringt Freud, accentueren de keerzijde van Christus' komst. Bachs harmonisering belicht die tekst uiterst gedetailleerd, ook waar de melodie zich herhaalt.
Hij begint de eerste regel te herhalen waardoor hij achtereenvolgens de woorden Sünd en Leid met wrange harmonieën kan onderstrepen. Tussen de melodisch identieke regels 3 en 5 variëren alleen de middenstemmen. Ook de twee lange regels zijn melodisch identiek maar in Bachs harmonisering illustreert een dalende reeks achtsten in de bas het in diese Welt ist kommen, terwijl een pijnlijk, langs halve noten (chromatisch) stijgende bas verwijst naar het geïmpliceerde antwoord op de retorische vraag Wer ist der uns ... kan verdammen, want zoals de chromatische dalende lijn (lamento-bas) pijn en lijden symboliseert zo betekent de omkering bij Bach vaak zonde of de duivel, Satan; daarmee is ook de relatie gelegd met de volgende aria.
In alle drie de koralen versterken de instrumenten slechts de koorstemmen; alleen de tweede hoorn speelt geen rol meer.
4. ARIA (B)
Höllische Schlange,
wird dir nicht bange?
Der dir den Kopf als ein Sieger zerknickt,
ist nun geboren,
und die verloren,
werden mit ewigem Frieden beglückt.

De slang, sinds Adam en Eva belichaming van het kwaad, is het hoofdpersonage in het middendeel, de nrs 4, 5 en 6, van de cantate. De teksten refereren aan Genesis 3: 14-15, het eerste bijbelboek waarin God niet alleen de Satan als straf voor zijn verleidende werk veroordeelt tot een op zijn buik kruipend bestaan, maar ook aankondigt dat uit de schoot van de vrouw (Des Weibes Samen, nr.5) een overwinnaar zal verschijnen die hem de kop vermorzelt (Der dir den Kopf als ein Sieger zerknickt (4)), een tekst die als voorspelling van de komst van Christus wordt gelezen.
slangIn de gespierde basaria (4) stellen de eerste violen de verleidelijk wiegende, kronkelende slang beeldend present (muziekvoorbeeld). Ritmisch hakken de overige uitvoerenden op het ondier in; op de woorden Der dir den Kopf (...) zerknickt delft het slangmotief het onderspit en komt het in de continuobas terecht.
5. RECITATIEF (A)
Die Schlange, so im Paradies
uf alle Adamskinder
das Gift der Seelen fallen ließ,
bringt uns nicht mehr Gefahr;
des Weibes Samen stellt sich dar,
der Heiland ist ins Fleisch gekommen
und hat ihr allen Gift benommen.
Drum sei getrost! betrübter Sünder.

Altrecitatief (5) wordt begeleid door strijkers die voortdurend een rollend motief herhalen, waardoor je het een arioso zou moeten noemen. De oudtestamentische profetie is vervuld: de in (4) nog heftig kronkelende slang maakt nu een vermoeide indruk, maar de alt klinkt nog aarzelend en contemplatief.
6. KORAAL
Schüttle deinen Kopf und sprich:
Fleuch, du alte Schlange!
Was erneurst du deinen Stich,
machst mir angst und bange?
Ist dir doch der Kopf zerknickt,
und ich bin durchs Leiden
meines Heilands dir entrückt
in den Saal der Freuden.


Het tweede koraalvers (6), vers 2 van Paul Gerhardts Schwing dich auf zu deinem Gott (1653), besluit het middendeel van de cantate echter op vastberaden toon, in een marsachtig ritme. Met uitsluitend dalende noten op Fleuch, du alte Schlange! wijst de gelovige gemeente haar kwelgeest triomfantelijk zijn plaats: maak dat je weg komt!
7. ARIA (T)
Christenkinder, freuet euch!
   Wütet schon das Höllenreich,
   will euch Satans Grimm erschrecken:
   Jesus, der erretten kann,
   nimmt sich seiner Küchlein an
   und will sie mit Flügeln decken.

In de laatste aria (7) krijgt de tenor een unieke begeleiding van twee hoorns, twee hobo's en continuo, waarmee niet alleen de klankkleur, maar ook de thematiek van het beginkoor terugkeert, benevens de bravoureuze sfeer. De tenor zingt eindeloze virtuoze coloraturen op freuet, maar zijn stem stokt en hij maakt vreemde sprongen op erschrecken. Christus' geboorte wordt als een overwinning gevierd; het beeld van de gelovigen als kuikens (Küchlein) die door een hen onder haar vleugels worden verzameld komt uit de evangelielezing voor Stefanusdag, Matteüs 23: 35-39.
8. KORAAL
Jesu, nimm dich deiner Glieder
ferner in Genaden an;
schenke, was man bitten kann,
zu erquicken deine Brüder:
Gib der ganzen Christenschar
Frieden und ein selges Jahr!
Freude, Freude, über Freude!
Christus wehret allem Leide.
Wonne, Wonne über Wonne!
Er ist die Genadensonne.
Het koraal (8) waarmee de cantate eindigt is het vierde couplet van Christian Keymanns kerstkoraal Freuet euch, ihr Christen alle (1646): stralend maar wat bedachtzamer dan (6).
omhoog


© Eduard van Hengel
Spreektekst Utrecht 6/12/09