J. S. BACH: Ich armer Mensch, ich Sündenknecht (BWV 55)

Beluister opnames van Leonhardt, KarlRichter, Schola Basiliensis/Gedda('71), IlGardellino/Jan Kobow, All of Bach/Hobbs, Koopman/Prégardien of Leusink.
In zijn derde en vierde seizoen te Leipzig, 1725/26 en 1726/27, schrijft Bach, anders dan in zijn eerste jaren, niet meer wekelijks nieuwe cantates, maar bij elkaar wel ongeveer zijn 'derde jaargang'. In de herfst van 1726 ontstaan regelmatig zogeheten solocantates, waarin de rol van het koor slechts een slotkoraal zingt en soms zelfs dat niet. Van die solocantates, soms voor meerdere stemmen, is er slechts één voor tenor: BWV 55, geschreven voor 17 november 1726, de tweeëntwintigste zondag na Trinitatis, in de periode dus waarin het einde van het kerkelijk jaar nadert en de kerk zich oriënteert op de dood. De evangelielezing voor deze zondag is uit Matteüs 18, de verzen 23-35, de gelijkenis van de ondankbare knecht die, nadat hem zelf grote schulden zijn kwijtgescholden, op zijn beurt meedogenloos optreedt tegen een collega van wie hij nog iets tegoed heeft, en daarvoor ter verantwoording wordt geroepen. Daarmee is het thema voor deze cantate gegeven: de ‘eindafrekening', barmhartigheid versus harteloosheid,  Gott ist gerecht, ich ungerecht. Die tegenstelling structureert deze korte cantate: twee delen, een aria en een recitatief, over de schuld van de zondaar en zijn verdiende straf, gevolgd door een aria plus recitatief over Gods barmhartigheid en de schuldsanering door Christus' lijden.
1. ARIA (T)
Ich armer Mensch, ich Sündenknecht,
ich geh vor Gottes Angesichte
mit Furcht und Zittern zum Gerichte.
Er ist gerecht, ich ungerecht.
ich armer Mensch, ich Sündenknecht!
De tenor wordt in zijn eerste aria (1) behalve door continuo begeleid door een traverso, een hobo d'amore en twee violen, een ensemble waarin de altviool opmerkelijk ontbreekt, de ‘tenor-strijker' die in hetzelfde register opereert als de vocale solist zodat deze daarmee alle ruimte krijgt voor zijn veeleisende en zeer hoog liggende, herhaaldelijk tot bes' reikende solopartij. In sombere moll-toonsoorten - overheersend g-klein - scheppen de instrumentalisten een klaaglijke sfeer; houtblazers en violen volgen elkaar paarsgewijs in terts- en sextparallellen langs droefgeestige Seufzer over hele en halve toonsafstanden. Het instrumentale kwintet wordt met de entree van de tenor uitgebreid tot een compact polyfoon sextet, waarin de tenor, als een zich in alle bochten wringende zondaar, zich beklaagt over zijn uitzichtloze positie. Eenzaam, door alle begeleiders verlaten, verschijnt hij ten slotte mit Furcht und Zittern en schrijnende chromatische stappen voor Gods rechtbank.
2. RECITATIEF (T)
Ich habe wider Gott gehandelt
und bin demselben Pfad,
den er mir vorgeschrieben hat,
nicht nachgewandelt.
Wohin? soll ich der Morgenröte Flügel
zu meiner Flucht erkiesen,
die mich zum letzten Meere wiesen,
so wird mich doch die Hand des Allerhöchsten finden
und mir die Sündenrute binden.
Ach ja!
wenn gleich die Höll ein Bette
vor mich und meine Sünden hätte,
so wäre doch der Grimm des Höchsten da.
Die Erde schützt mich nicht,
sie droht mich Scheusal zu verschlingen;
und will ich mich zum Himmel schwingen,
da wohnet Gott, der mir das Urteil spricht.
De tekst van het secco recitatief (2) verklaart 's mensen status van Sündenknecht uit (1): hij heeft tegen Gods wil gehandeld. Tekstdichter Christoph Birkmann schetst zijn uitzichtloze situatie aan de hand van Psalm 139:7-10: de aarde noch de verste zeeën, de hel noch de hemel bieden vluchtwegen voor Gods blik.
3. ARIA (T)
Erbarme dich!
laß die Tränen dich erweichen,
laß sie dir zu Herzen reichen;
laß um Jesu Christi willen
deinen Zorn des Eifers stillen,
erbarme dich!
De wanhopige gelovige rest slechts een beroep op Gods barmhartigheid; aria (3) zowel als recitatief (4) beginnen daartoe met de aanroeping Erbarme dich, die Bach nog geen halfjaar later weer zal gebruiken in de beroemd geworden altaria waarmee het - Petrus' verraad behandelende - gedeelte van de Matthäus-Passion eindigt, aldaar eveneens gevolgd door het koraal Bin ich gleich von dir gewichen dat deze cantate gaat besluiten (5). En in aria (3) klinkt het Erbarme dich ook op dezelfde smekende sext-sprong als in de Matthäus-Passion. De tenor wordt hier begeleid door de traverso die met slepende nootjes (Seufzer) de tranen van de boetvaardige zondaar illustreert en met wilde uithalen diens radeloze ziel. Met een plotselinge stilte op het laatste stillen wordt de terugkeer van het Erbarme dich dramatisch onderstreept. De suggestie van zijn tekstschrijver voor een driedelige structuur (A-B-A), met een da capo terugkeer naar het Erbarme dich, vervangt Bach door een tweedeling: hij herhaalt het Erbarme dich na elke twee regels.
4. RECITATIEF (T)
Erbarme dich!
Jedoch nun tröst ich mich,
ich will nicht für Gerichte stehen
und lieber vor dem Gnadenthron
zu meinem frommen Vater gehen.
Ich halt ihm seinen Sohn,
sein Leiden, sein Erlösen für,
wie er für meine Schuld
bezahlet und genung getan,
und bitt ihn um Geduld,
hinfüro will ich's nicht mehr tun.
So nimmt mich Gott zu Gnaden wieder an.

Het fraaie, door lange akkoorden van de strijkers (nu inclusief altviool) begeleide recitatief (4) heeft alle onrust achter zich gelaten. Het begint en eindigt weliswaar in majeur (Bes-groot), maar het hier nog eens herhaalde Erbarme dich klinkt door zijn septiemsprong des te dringender. Zo zingt ook de alt dat in de Matthäus-Passion wanneer Jezus tot de kruisdood is veroordeeld (nr 51).
5. KORAAL
Bin ich gleich von dir gewichen,
stell ich mich doch wieder ein;
hat uns doch dein Sohn verglichen
durch sein Angst und Todespein.
Ich verleugne nicht die Schuld,
aber deine Gnad und Huld
ist viel größer als die Sünde,
die ich stets bei mir befinde.
Het zesde couplet van Rists uit 1642 daterende koraal Werde munter, mein Gemüte dat Bach ook na het Erbarme dich in de Matthäus-Passion laat volgen, is hier (5) uitermate rustgevend vierstemmig geharmoniseerd: een notenbeeld waarin vrijwel alle toevallige verhogingen (kruizen en mollen) ontbreken impliceert afwezigheid van elke harmonische excursie en daarmee van elke verstorende emotie.
omhoog


© Eduard van Hengel