J. S. BACH: Liebster Gott, wenn werd ich sterben (BWV 8)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Geschreven voor de zestiende zondag na Trinitatis, 24 september 1724, reflecteert BWV 8 - evenals andere voor deze zondag gecomponeerde cantates (BWV 161 en 95) - op de evangelielezing uit Lukas 7: 11-17, het verhaal van de jongeling te Nain, enige zoon van een weduwe, die door Jezus uit de dood werd opgewekt. De Lutherse theologie beschouwde deze geschiedenis allegorisch: alle gelovigen mogen verwachten dat Christus hun zielen na hun dood tot eeuwig leven zal wekken; zij mogen daarom vol vertrouwen naar die dood uitzien, ja, deze zelfs verwelkomen als een noodzakelijke stap die hen dichter bij het eeuwig leven brengt. Deze interpretatie leidt in de piëtistische spiritualiteit tot de uit zoveel cantates bekende Todessehnsucht. In BWV 8 wordt de dood echter aanvankelijk nog wel degelijk met angst (Furcht, Sorge, Schmerz) tegemoet gezien, het verlangen naar de dood verschijnt pas met basaria (4).

Wanneer Bach deze cantate componeert is hij al zestien weken doende een modern type koraalcantates te schrijven op basis van bekende kerkliederen (koralen): het eerste en laatste couplet dient ongewijzigd als tekst voor een openingskoor en een slotkoraal terwijl de overige (‘binnen-')coupletten - uitgebreid of ingedikt - worden herdicht tot recitatief- en ariateksten. De koraalmelodie klinkt meestal eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd in het slotkoraal, en in het openingskoor als cantus firmus in lange noten in de sopraan.

Liebster Gott, wenn werd ich sterben (NB Wenn is een oude vorm voor wann) was in 1724 een tamelijk recent lied van vijf strofen, omstreeks 1690 geschreven door Caspar Neumann en in 1695 van een melodie voorzien door Daniel Vetter, organist aan de Leipziger Nicolaikirche van 1679 tot zijn dood in 1721. Het is een modern tonaal lied met een veel wendbaarder melodie dan de meeste traditionele, gedragen koralen, en zonder hun antieke geur van oude (modale) kerktoonsoorten. Het lied had, hoewel niet opgenomen in de meest gebruikte Lutherse gezangenbundel (Vopelius), toch snel de status van een bekend kerkgezang (koraal) verworven, waarbij Vetters melodie dusdanig gemaltraiteerd werd dat deze zich in 1713 gedwongen voelde de melodie inclusief zijn beoogde harmonisering nogmaals nadrukkelijk te publiceren.
Het gebruik dat Bach maakt van Vetters melodie is voor koraalcantates hoogst ongewoon; waarschijnlijk heeft hij zijn BWV 8 (die in de Nicolaïkirche in première ging) destijds mede gecomponeerd en uitgevoerd als eerbetoon aan Vetter, die vele toenmalige kerkgangers nog persoonlijk zullen hebben gekend. Zowel in het slotkoraal als in het vocale gedeelte van het openingskoor wijzigt Bach weinig aan Vetters harmonieën en met name handhaaft hij een karakteristieke eigenschap van diens eigen harmonisering: elke koraalzin wordt door één of enkele stemmen ingeleid, alvorens de overige zich daarbij voegen. Dat leidt tot een sterk polyfoon ogend notenbeeld waarbij verschillende stemmen elkaar regelmatig imiteren; het gebruikelijke slotkoraalbeeld van recht onder elkaar staande akkoorden ontbreekt.
1. KOOR
Liebster Gott, wenn werd ich sterben?
Meine Zeit läuft immer hin,
Und des alten Adams Erben,
Unter denen ich auch bin,
Haben dies zum Vaterteil,
Daß sie eine kleine Weil
Arm und elend sein auf Erden
Und denn selber Erde werden.




















2.  ARIA (T)
Was willst du dich, mein Geist, entsetzen,

Wenn meine letzte Stunde schlägt?
Mein Leib neigt täglich sich zur Erden,
Und da muß seine Ruhstatt werden,
Wohin man so viel tausend trägt.

3.  RECITATIEF (A)
Zwar fühlt mein schwaches Herz
Furcht, Sorge, Schmerz:
Wo wird mein Leib die Ruhe finden?
Wer wird die Seele doch
Vom aufgelegten Sündenjoch
Befreien und entbinden?
Das Meine wird zerstreut,
Und wohin werden meine Lieben
In ihrer Traurigkeit
Zertrennt, vertrieben?

4. ARIA (B)
Doch weichet, ihr tollen, vergeblichen Sorgen!

Mich rufet mein Jesus, wer sollte nicht gehn?
    Nichts, was mir gefällt,
    Besitzet die Welt.
    Erscheine mir, seliger, fröhlicher Morgen,
    Verkläret und herrlich vor Jesu zu stehn.

5.  RECITATIEF (S)
Behalte nur, o Welt, das Meine!

Du nimmst ja selbst mein Fleisch und mein
Gebeine,
So nimm auch meine Armut hin;
Genug, daß mir aus Gottes Überfluß
Das höchste Gut noch werden muß,
Genug, daß ich dort reich und selig bin.
Was aber ist von mir zu erben,
Als meines Gottes Vatertreu?
Die wird ja alle Morgen neu
Und kann nicht sterben.

6. KORAAL
Herrscher über Tod und Leben,
Mach einmal mein Ende gut,
Lehre mich den Geist aufgeben
Mit recht wohlgefaßtem Mut.
Hilf, daß ich ein ehrlich Grab
Neben frommen Christen hab
Und auch endlich in der Erde
Nimmermehr zuschanden werde!

Voor het openingskoor is bovendien bepalend dat Vetters melodie niet geëigend is voor verbreding tot de lange noten van een cantus firmus. In feite zingt het koor in het openingskoor (1) nauwelijks meer of andere noten dan in het slotkoraal.
Het openingskoor is daardoor eigenlijk geen koraalfantasie - zoals in de andere koraalcantates - maar een vierstemmig geharmoniseerd koraal, voorzien van een zelfstandige instrumentale begeleiding, met voor-, tussen- en naspelen. Door de bescheiden rol van het koor, dat slechts een kwart van de tijd aktief is, maakt deel (1) de indruk van een instrumentaal stuk. In het orkestraal palet waarmee Bach de liefelijkheid van de dood schetst zijn vier lagen te onderscheiden:
- het continuo markeert met akkoorden op de eerste en derde tel, in het trage ritme van de slinger van een klok, het onverbiddelijke verstrijken van de tijd;
- voortdurend dalende staccato-akkoorden van de strijkers wijzen naar beneden, naar de aarde;
- de traverso wisselt akkoordbrekingen af met imitaties van het schelle geklepel van doodsklokjes, telkens 24 toonherhalingen - de uren van de dag - in extreem hoge ligging, wellicht bedoeld voor een flauto piccolo; we kennen deze Leichenglocken o.m. ook uit de cantate Komm du süsse Todesstunde BWV 161/4 maar ook uit Schuberts Zügenglöcklein (D.871).
- de enige melodische partijen zijn voor de twee hobo's d'amore. Hun duet, soms parallel gaand, soms polyfoon elkaar imiterend, ademt de pastorale rust waartoe de 12/8-maat uitnodigt: een betrouwbare en troostrijke bemoediging bij de laatste gang.
(Een corno, waarschijnlijk een corno da tirarsi (schuifhoorn), ondersteunt als gebruikelijk de koraalmelodie van de sopranen.)
Bachs negentiende eeuwse biograaf Spitta omschreef de indringende sfeer van dit koor als klokgelui en bloesemgeur, de lentemorgen op een kerkhof. De relatie tussen instrumentale en vocale bijdragen is programmatisch voor de gehele cantate: terwijl de tekst verontrusting uit over de onvermijdelijke dood (thema van de delen 2 en 3) schildert het instrumentaal ensemble de mildheid van die dood, vooruitlopend op de delen 4 en 5.

Bezorgdheid om de naderende dood karakteriseert nog het eerste recitatief/aria-paar. De introspectieve aria (2) is een triosonate voor hobo d'amore, tenor en continuo in de schrijnende toonsoort cis-klein. Weer verwijst het pizzicato in de bas naar vermanend klokgelui. De tenor volgt de hobo nog in zijn kopmotief, de met een Schleifer overbrugde kleine-sextsprong die twee jaar later zal dienen als Erbarme-dich-motief in de MATTHÄUS-PASSION; vervolgens gaan de twee solisten eigen wegen. De angstige tenor zingt een onrustig zoekende partij die niet door een thema wordt bijeengehouden maar (daarom) wel gelegenheid biedt tot veel tekstillustratie: letzte Stunde schlägt (staccato, toonherhaling), neigt zur Erden (dalende lijn), tausend (talloze nootjes), Ruhstatt (lange noot).
In het door strijkers begeleide (accompagnato) recitatief (3) stelt de alt, boven knagende harmonieën drie bange vragen. Z/hij laat de vraagtekens goed horen door geen van de drie zinnen op de grondtoon af te sluiten.
Met bas-aria (4) kantelt de sfeer: van zorgelijk naar zorgeloze blijdschap: alle vragen zijn beantwoord. Door Neumanns oorspronkelijke woorden Sollt ich nicht zu Jesus gehen te vervangen door Mich rufet mein Jesus refereert Bachs anonieme tekstdichter aan de evangelielezing. De maatsoort (12/8) is dezelfde als van het openingskoor, maar hier is het ritme dat van de gigue, een onversneden vrolijke dans. De traverso concerteert virtuoos, begeleid door strijkers.
De sopraan tenslotte neemt, als ideale gelovige, in het secco recitatief (5) gerustgesteld afscheid van alles wat de wereld hem/haar te bieden had. Het slotkoraal (6) voor alle uitvoerenden handhaaft niet alleen Neumanns liedtekst maar lijkt ook in zijn stemvoering meer op Vetter dan op Bachs gebruikelijke vierstemmige harmoniseringen.

Eind jaren ‘40 transponeerde Bach de oorspronkelijke versie in E-groot naar D-groot waardoor de hoge fluitpartij wordt vergemakkelijkt ten koste van de oorspronkelijke penetrante klankkleur, verving daarbij de - wellicht al in onbruik gerakende - hobo's d'amore door twee soloviolen en liet drie hobo's (naast de corno) de koorpartijen versterken. Het resultaat oogt niet als een verbeterde of definitieve versie maar veeleer als een door omstandigheden (beschikbare spelers) gedwongen noodoplossing.
omhoog


© Eduard van Hengel