Eduard van Hengel: Duurzaamheid: grenzen aan pluralisme
(Een deontologische reactie op Kamminga, F&P 1998/3)
Samenvatting: Het gelijke recht van
toekomstige
generaties op milieugebruik is onverenigbaar met een socio-cultureel
pluralisme
wanneer dat kaalslag voor de natuur betekent.
Inleiding
§1. Duurzame ontwikkeling
§2. Normen en waarden
§3. Rechtvaardigheid, milieu en toekomstige
generaties:
biodiversiteit
§4. Duurzaamheid en leefbaarheid
§5. Wetenschap en normstelling
§6. Risico's en voorzorg
§7. Conclusies
Literatuur
Inleiding
In het zomernummer 1998 van
Filosofie & Praktijk bepleit
Menno
Kamminga in discussie met het rapport 'Duurzame Risico's' (1994) van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een
pluralistische
duurzaamheidsconceptie. Hij onderzoekt daartoe de drie grondhoudingen
of
duurzaamheidsconcepties uit de voorstudie van het WRR-rapport, waarvan
hij de beide extremen, No-regret en Gedurfd afwijst. Deze zijn - aldus
Kamminga - 'monistisch', hetgeen wil zeggen dat zij ecologische
respectievelijk
sociaal-economische waarden boven andere prefereren, de risico's naar
het
tegengesteld domein verschuiven en sceptisch zijn ten aanzien van de
menselijke
theoretische inventiviteit (technische innovaties) dan wel zijn
sociaal-praktisch
aanpassingsvermogen. De middenpositie Bezonnen, in Duurzame Risico's
uitgewerkt
tot de scenario's Sparen en Beheren, beschouwt hij als een rationele en
werkbare synthese van de tegenpolen.
De symmetrie waarmee Kamminga sociaal-economische en ecologische
kwesties behandelt is voor een aantal milieuproblemen zeker adequaat,
maar
- zoals ik wil aantonen - uitgerekend niet voor duurzaamheidskwesties,
wanneer we die althans beschouwen als kwesties van rechtvaardigheid
jegens
toekomstige generaties. In hun benadering van milieuproblemen blijken
Kamminga
en de WRR op hun beurt ten prooi aan wat Stone (1987) noemt een
milieu-ethisch
monisme: zij pogen het belang van een complexe, hiërarchisch
geordende
natuur in één enkele maatstaf te vangen. Ik zal laten
zien
dat reeds de Brundtlandformule sterke
prima facie
aanknopingspunten
biedt voor een deontologische benadering van het duurzaamheidsprobleem
(§1)
die
ten dele aan Stone's bezwaren tegemoet komt. Ik volg Habermas in mijn
resumé
van het deontologische onderscheid tussen morele plichten en ethische
waarden
(§2)
en
laat aan de hand van het biodiversiteitsprobleem zien hoe hieruit
universele
normen gewonnen kunnen worden
(§3). Het
milieuprobleem
valt daarbij uiteen in problemen van duurzaamheid, besproken in een
vocabulaire
van rechten, plichten, normen, randvoorwaarden en 'constraints', en
problemen
van leefbaarheid, in termen van waarden, behoeften, afwegingen en
compromissen
(§4).
In deze beide domeinen zullen wetenschap (
§5),
risicobenadering
(§6) en beleid systematisch
verschillende
betekenissen blijken te hebben. Mijn aanpak lijkt in eerste instantie
te
leiden tot een selectieve rehabilitatie van de, door Kamminga en de WRR
als extreem afgewezen No-regret grondhouding; in essentie verwerpt zij
echter de structuur die de WRR aan het duurzaamheidsdebat heeft gegeven
(§7).
§1. Duurzame
ontwikkeling
Terecht kiezen veel
beschouwingen, ook die van Kamminga (1998)
en
de WRR (1994) hun uitgangspunt in de bekende formule van de Commissie
Brundtland
(1987): "Duurzame Ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige
generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden
in
gevaar te brengen ook in hun behoeften te voorzien." Tot mijn verbazing
komt de oproep tot intergenerationele rechtvaardigheid inzake
milieugebruik
die ik hierin lees in vele interpretaties slecht uit de verf. Ook de
WRR
geeft er, door de 'valkuilen' die zij meent te ontwaren, blijk van de
formule
slecht te hebben geanalyseerd.
In de eerste plaats was deze Brundtland definitie natuurlijk
een meesterlijke politieke compromisformule die een sterk verdeelde
VN-conferentie
op één lijn kreeg door de arme landen ontwikkeling te
beloven
en de milieubewuste rijke landen gerust te stellen dat dit niet ten
koste
van het milieu behoeft te gaan. Maar in tweede instantie blijkt deze
formule
(anders dan de rest van het Brundtland rapport) ook bestand tegen een
meer
filosofische close-reading, welke haar te weinig is ten deel gevallen.
Het eerste dat opvalt in deze slotformule van een conferentie
over Milieu en Ontwikkeling is dat de begrippen 'milieu' of 'natuur'
erin
ontbreken, terwijl de notie 'toekomstige generaties' opduikt. Het lijkt
geen over-interpretatie om te veronderstellen dat het milieu hier
beschouwd
wordt als datgene waarmee de huidige generatie (door haar
behoeftebevrediging)
de mogelijkheden tot behoeftebevrediging voor toekomstige generaties in
gevaar brengt. Dat de behoeften van de huidige generatie 'subjectief'
zijn
in die zin dat zij de in een generatie heersende culturele preferenties
weerspiegelen, en dat die van toekomstige generaties voor ons onkenbaar
zijn, zoals de WRR aanmerkt, is nauwelijks als kritiek te beschouwen;
sterker,
het verheldert veeleer waar het wel om gaat. De formule spreekt op
symmetrische
wijze over huidige en toekomstige generaties, als over sub-groepen van
de mensheid die elk moeten voorzien in hun eigen ('subjectieve')
behoeften,
hetgeen 'ontwikkeling' wordt genoemd; die behoeften kunnen uiteraard
alleen
door henzelf worden bepaald en gekend. Alle groepen c.q. generaties
moeten
echter terwille van die behoeftenvoorziening een beroep doen iets veel
objectievers: het natuurlijk milieu, en de formule stelt uitsluitend
dat
generaties daartoe gelijke kansen behoren te hebben. 'Het milieu' wordt
in de Brundtland formulering dus quasi letterlijk opgevat als het
medium,
als datgene wat generaties met elkaar in contact brengt, wat hen alle
tot
hulpbron dient en waarop noties als rechtvaardigheid en gelijke kansen
van toepassing zijn. 'Duurzaamheid' wordt dus opgevat als een sociale
kwestie,
iets dat speelt tussen groepen mensen, in casu generaties maar
betrekking
heeft op de verdeling van een objectieve, natuurlijke ruimte.
Het enige waarvoor men de Brundtland formule zou kunnen
kritiseren
is dat zij, een definitie van 'duurzame ontwikkeling' suggererend,
slechts
omschrijft waarin de duurzaamheid van een bepaalde, niet nader
omschreven
ontwikkeling is gelegen. Aangezien ons begrip 'ontwikkeling' ook de
notie
van rechtvaardigheid tussen Noord en Zuid omvat, zou je ook kunnen
zeggen
dat de Brundtland formule twee rechtvaardigheidskwesties ordent:
rechtvaardigheid
Noord/Zuid (intragenerationele) kan en behoort nagestreefd te worden
zonder
afbreuk te doen aan de intergenerationele.
§2. Normen en
waarden
Het was niet te vermijden en het
zal fijnproevers al zijn
opgevallen
dat doorheen deze lezing van het Brundtland concept het deontologische
onderscheid tussen rechtvaardigheid en 'het goede leven' schemerde. Het
is inderdaad mijn bedoeling het begrip 'duurzame ontwikkeling' te
demonteren
in duurzaamheid als een intergenerationeel rechtvaardigheidscriterium
en
ontwikkeling als een intragenerationeel idee van 'het goede leven'. Om
dat met de nodige precisie te doen resumeer ik hier kort de
deontologische
fenomenologie van het morele, voornamelijk in de
communicatietheoretische
versie van Jürgen Habermas (1991, 100-118; 1992, 197-207, 310-313;
1995, 109-131; 1996, 40-42, 310-316) en aangevuld met ontleningen aan
Rawls
(1971, 395-407), Wingert (1993, 131-166), Walzer (1994), Barry (1995)
en
anderen die dit onderscheid op vergelijkbare wijze maken.
Kortheidshalve
illustreer ik de toepasbaarheid van dit onderscheid op 'duurzame
ontwikkeling'
niet puntsgewijs, maar ik nodig U uit mijn intentie al lezende in
gedachten
te houden.
In een moderne, democratische en pluralistische maatschappij,
waar mensen met individueel en groepsgewijs uiteenlopende levensstijlen
samenleven (en waar het dus filosofen niet meer beschoren is omvattende
rationele ontwerpen voor een deugdzaam leven te schetsen) moet de ene
en
overkoepelende praktische vraag naar het goede leven, aldus Habermas,
worden
onderscheiden in drie, niet tot elkaar te herleiden complexen van
vragen:
de pragmatische vraag naar het mogelijke, de ethisch-existentiële
vraag naar het goede of wenselijke en de moreel-praktische vraag naar
het
rechtvaardige. Alleen het onderscheid tussen de laatste twee
interesseert
ons hier.
Moraal handelt daarbij over plichten), die grenzen en
beperkingen
opleggen, uit respect voor de eigen rechten van anderen; moraal heeft
de
vorm van handelingsnormen. Ethische waarden daartegenover wijzen op
idealen,
doelen en belangen, ze geven aan waar men (individueel of gezamenlijk
met
anderen) naar streeft. Handelingstheoretisch beschouwd regelen moraal
en
ethiek twee verschillende sociale coördinatieproblemen: morele
normen
regelen de interactie met buitenstaanders, ze belichamen het vreedzame
alternatief voor potentiële conflicten tussen mensen of groepen
met
uiteenlopende doelen; ethische waarden regelen de interne
coöperatie
van groepen die gezamenlijk doelen willen realiseren of een gezamenlijk
belang nastreven. Ze oriënteren resp. ons normgeleid en ons
doelgericht
handelen. (Terwijl normen uitsluitend interactiesituaties regelen
kunnen
waarden ook voor een afzonderlijk individu gelden.)
Normen beoordelen we naar het criterium of ze rechtvaardig,
eerlijk, onpartijdig zijn, of ze betrokken groepen of personen gelijke
kansen bieden om hun doelen na te jagen. Ethische waarden en de meer
concrete
doelen en belangen die daarvan worden afgeleid beoordeelt men naar het
criterium of ze inspirerend zijn, de moeite waard, een authentieke,
oprechte
interpretatie vormen van onze (individuele of collectieve) identiteit.
Normen gelden dus altijd voor allen die zich in een zelfde situatie
bevinden,
ze gelden categorisch of universeel, hebben een absoluut gezag, binnen
en buiten de eigen groep of gemeenschap; waarden en doelen daarentegen
gelden altijd slechts voor een 'wij', een beperkte groep met een
bepaald
ideaal of een gedeelde cultuur, ze zijn lokaal en contextueel, hebben
een
relatief gezag. Moraal legt meestal slechts marginale beperkingen op
aan
het handelen, zonder dit inhoudelijk te oriënteren. In
handelingssituaties
hebben morele normen altijd voorrang op ethische idealen; zij
demarqueren
als het ware de ruimte waarbinnen individuen of groepen hun gang kunnen
gaan bij het realiseren van hun eigen doelen. De prioriteit van het
morele
over het ethische ('the priority of the right over the good') geldt
categorisch
of lexicaal: aan morele eisen moet altijd eerst en in elk geval zijn
voldaan.
'Rechten overtroeven doelen' (Dworkin). Behoeften, waarden en
preferenties
kunnen weliswaar ook in prioritaire verhoudingen staan, maar dat sluit
niet uit dat hogere waarden slechts ten dele worden nagestreefd om
tevens
in zekere mate aan hiërarchisch lager geschikte tegemoet te komen.
Lexicale prioriteit geldt absoluut, preferentiële slechts
relatief.
Het noodzakelijk correlaat van deze lexicale prioriteit van
morele normen is, aldus Rawls (1971, 43), dat zij veel concreter zijn
en
een beperkter strekking hebben dan waarden. Normen ge- of verbieden
bepaalde
welomschreven handelingen die inbreuk zouden kunnen maken op de rechten
of vrijheden van anderen; aan normen kan dan ook afdoende worden
voldaan,
normconformiteit heeft een discreet of digitaal karakter: zij kan
ja/nee
worden vastgesteld. Waarden en idealen zijn vager, ze worden
voortdurend
opnieuw geïnterpreteerd, er worden concrete doelen van afgeleid
waardoor
ze stapsgewijs benaderd kunnen worden, zonder ooit definitief te worden
gerealiseerd, we noemen dat ook regulatieve ideeën, zoals
waarheid,
democratie, welzijn, geluk of zelfontplooiing. Voor morele normen is
zulk
een regulatief karakter onverenigbaar met hun lexicale prioriteit: kon
men ze tot in der eeuwigheid blijven najagen zonder ze ooit definitief
te bereiken dan zouden lexicaal lager geschikte waarden nimmer in het
spel
komen.
Ook de toepasbaarheid van normen in concrete situaties heeft
dat binaire karakter, ze zijn wel of niet toepasbaar. Wanneer
verschillende
normen in een handelingssituatie tegenstrijdige plichten opleggen gaan
wij na welke norm wel en welke niet toepasbaar is, welke de overhand
heeft.
Tussen normen kan geen afweging of prioritering plaats vinden, ze
kunnen
niet 'een beetje' gerespecteerd worden, anders dan bij waarden en
doelen,
die met elkaar kunnen concurreren en waartussen compromisvorming
mogelijk
is.
Dit verschil heeft ook gevolgen voor de discussie over en de
legitimering van waarden dan wel normen. De rechtvaardigheid van normen
die onpartijdig moeten zijn jegens groepen met uiteenlopende belangen
of
wereldbeelden dient dus op actor-neutrale gronden te berusten, ze
kunnen
niet ontleend worden aan een bepaalde inhoudelijke ideologie of
levensontwerp
(Rawls: substantial or comprehensive conceptions of the good), ze
moeten
ethisch neutraal of waardevrij zijn, juist omdat ze moeten bemiddelen
tussen
groepen met verschillende ethische opvattingen. Ze worden met name niet
afgeleid uit één of ander, partijen overkoepelend idee
van
het 'goede' maar kunnen slechts achteraf beschouwd worden als
uitdrukking
van een gedeeld 'negatief' inzicht in wat als schending van menselijke
waardigheid wordt gezien. Waarden daarentegen verwijzen naar een
positieve
identiteit of een zingevingssysteem. Bij Habermas vormen morele regels
derhalve het enig type normatieve vragen waarop rationele antwoorden
mogelijk
zijn; zij zijn bijgevolg het uitsluitende toepassingsdomein van zijn
discours-ethiek).
En een heel belangrijk verschil tenslotte: de motiverende kracht
van doelen, waarden en idealen is veel groter dan die van morele
normen.
Terwijl de eerste behoren tot de eigen identiteit, datgene waar men
voor
leeft en zich wil inzetten, waarvoor men dus intrinsiek gemotiveerd is,
eisen morele normen van ons allerlei zelfbeperkingen in die eigen
ontplooiing,
gelet op het belang en de eigen mogelijkheden van anderen. Door ons in
die anderen te verplaatsen kunnen wij de redelijkheid van een
rechtvaardige
norm inzien maar dat blijft een zwakke motiverende kracht. Morele
normen
kunnen daarom slechts praktisch werkzaam zijn wanneer ze het steuntje
in
de rug krijgen van wet of gewoonte, 'tegemoetkomende instituties';
morele
overwegingen leiden niet het geïsoleerde individuele handelen maar
vooral de culturele gewoontevorming, institutionaliseringsprocessen en
de politieke, collectieve besluitvorming. Moraal bespreekt dus typisch
problemen die ontspringen aan de tegenstelling tussen individueel en
collectief
belang, kwesties die in de (milieu-)sociologische literatuur worden
besproken
als 'sociale dilemma's': al zien mensen de redelijkheid van een regel
in,
zonder institutionele rugdekking zullen ze niet spontaan
dienovereenkomstig
handelen, uit terechte vrees dat anderen ('free riders') profijt zullen
trekken van hun zelfbeperking.
Morele normen - zo kan men samenvatten - betalen voor hun sterk
verplichtend karakter en hun universele geldigheid met een beperkte
strekking
en een zwak motiverende kracht.
Wanneer we in dit deontologisch perspectief 'duurzame
ontwikkeling'
willen ontleden in enerzijds een ethisch ontwikkelingsprojekt van
tijdgenoten
dat zich anderzijds voltrekt binnen de morele grenzen van
rechtvaardigheid
jegens toekomstige generaties, zullen we met name 'duurzaamheid' moeten
operationaliseren tot een set normen van beperkte strekking waaraan
afdoend
voldaan kan worden en die 'ethisch neutraal' (waardevrij)
gerechtvaardigd
kunnen worden, dus zonder beroep te doen op de waarden of
substantiële
behoefteninterpretaties van enige groep of generatie. Ik zal laten zien
dat dit een begaanbare weg is. Het begrip 'duurzame ontwikkeling'
belichaamt
dus een gekwalificeerde relatie tussen pluralisme en universalisme; het
aanvaardt een pluralistische waaier van mogelijke ontwikkelingspaden
(ontwerpen
van het goede leven) die echter allen bestand dienen te zijn tegen een
marginale toetsing aan het universele criterium van de duurzaamheid
hunner
ecologische effecten. De formule 'duurzame ontwikkeling' heeft dus
dezelfde
semantische structuur als 'Veilig Verkeer': veiligheid is norm of
randvoorwaarde
voor deelname aan het verkeer maar niet het doel ervan.
Omdat pluralisme qua ontwikkeling in een, door postmodernisme,
contextualisme, constructivisme en relativisme getekende filosofische
tijdgeest
op meer intuïtieve steun mag rekenen dan een universele
duurzaamheidsnorm
zal ik vooral het duurzaamheidsbegrip nader expliceren.
Men kan dus althans op één punt instemmen met
de analyse van de WRR: duurzaamheid is negatief gedefinieerd, het
vraagt
ons iets na te laten: onduurzaamheid, te weten afbreuk doen aan
mogelijkheden
voor komende generaties om in hun behoeften te voorzien. Duurzaamheid
is
geen utopie; duurzame samenlevingen waren er reeds. Dat er in een
on-duurzame
samenleving als de onze allerlei positieve plannen moeten worden
gemaakt
en uitgevoerd om aan die negatieve norm te voldoen, zorgt daarbij voor
veel verwarring.
§3.
Rechtvaardigheid, milieu en toekomstige
generaties:
biodiversiteit
Om wat scherper zicht te krijgen
op het probleem en de
mogelijkheden
van een 'waardevrije' operationalisering van 'duurzaamheid' als
intergenerationele
rechtvaardigheidsnorm inzake milieugebruik, zoom ik eerst in op het
meest
extreme duurzaamheidsprobleem, de praktisch irreversibele aanslag op de
biodiversiteit.
Norman Myers (1995) rekent voor hoe de huidige
biodiversiteitsreductie
(al naar gelang de schattingen met 10, 20 of 40% van het aantal
soorten)
slechts vergelijkbaar is met enkele kosmische rampen waarvan de laatste
65 millioen jaar geleden plaatsvond. Herstel daarvan kostte 5 tot 8
millioen
jaar; als we thans eenzelfde herstelperiode veronderstellen) zadelen
wij
dus honderdduizenden generaties op met een zwaar verkommerd leefmilieu.
Het gaat bij duurzaamheid dus niet alleen over onze (kinds)kinderen of
de volgende eeuw, maar vooral over zeer ver in de toekomst levende
generaties,
waarvan wij in culturele zin niets kunnen weten en moeten
veronderstellen
dat ze totaal anders zullen willen leven dan wij. Met hen hebben wij
dus
een directe relatie via het objectieve medium en de natuurwetmatigheden
van ons ecosysteem. Direct betekent hier dus met name: zonder dat het
er
iets toe doet wat tussenliggende generaties zich eventueel voor
opofferingen
zouden willen getroosten; biodiversiteit kan - voorzover wij thans
weten
- door de mens slechts in negatieve zin worden beïnvloed. Dat
'risico's
voor natuur en milieu kansverschaffend zijn' zoals het WRR-scenario
Gedurfd
veronderstelt ontbeert in evolutionnaire zin voorlopig elke empirische
grond.
Als wij nadenken over rechtvaardigheid jegens deze ver
verwijderde
generaties dient dus in de eerste plaats de beperking tot ten hoogste
tien
generaties te vervallen die denkers als Rawls (1971), Avner-de-Shalit
(1995),
Golding (1972) en Passmore (1974) in acht plegen te nemen. In de tweede
plaats moeten wij het idee verlaten dat wij met deze toekomstige
generaties
een substantiële 'morele gemeenschap' vormen die een bepaalde
opvatting
van het goede leven deelt. Habermas' discours-ethische benadering laat
deze beide verbredingen toe. Enerzijds beschouwt hij morele normen als
geldigheidsaanspraken die, vergelijkbaar met waarheidsaanspraken zoals
we die uit de wetenschap kennen, qua tijd en ruimte een universele
strekking
hebben waaraan niet wordt afgedaan door het feit dat deze uitspraken
altijd
fallibel zijn en in bepaalde lokale contexten en talen zijn
geformuleerd.
En anderzijds formuleert hij zijn discours-ethisch
universaliseringsprincipe
zodanig dat het loutere bestaan van feitelijke (neven-)effecten van een
handeling voor iemands belangen deze ander tot mede-wetgever van een
desbetreffende
handelingsregel aanwijst, ongeacht de mate van culturele verwantschap
tussen
betrokkenen: 'een norm is geldig wanneer alle betrokken personen en
partijen
de gevolgen en neveneffecten van de algemene naleving ervan voor de
bevrediging
van hun belangen kunnen aanvaarden').
Natuurlijk vervalt een karakteristieke aantrekkelijkheid van
Habermas' benadering - de relatie die hij legt tussen morele discoursen
en concrete publieke debatten in deliberatieve democratieën -
wanneer
we hem toepassen op intergenerationele handelingsregels. Hier immers
zijn
degenen die collectief de absolute macht over de toekomst bezitten de
enigen
die aan de discussie kunnen deelnemen. Maar dit verhindert leden van
deze
huidige, heersende generatie geenszins om hypothetische, falsifieerbare
intergenerationele normen te ontwerpen, deze te bespreken vanuit het
morele
gezichtspunt 'wat in ieders belang' is en hun handelen daaraan
onderwerpen.
Dit is mijns inziens precies de betekenis van de vele publieke en
internationale
fora waar over intergenerationele solidariteit wordt gediscussieerd; en
waar - het moet kritisch worden opgemerkt ten aanzien van de gevestigde
parlementaire democratieën - het beroep op toekomstige generaties
meer gehoor lijkt te vinden naarmate afgevaardigden minder bloot staan
aan directe parlementaire controle.
Met betrekking tot de biodiversiteit meen ik dat alleen de norm
dat de soortenverscheidenheid onaangetast dient te blijven tegen de
transgenerationele
universaliseringstoets bestand is; de rechtvaardiging van deze claim
kan
binnen dit bestek noodgedwongen slechts summier uitvallen. Men vindt
deze
norm in de literatuur in diverse, onderling op subtiele doch
interessante
punten verschillende formuleringen. De Raad voor het Milieu- en
Natuuronderzoek
(RMNO, 1992) onder leiding van Opschoor formuleerde dat het antropogene
uitsterven van soorten de snelheid van het natuurlijke uitsterven niet
zou behoren te overtreffen. Wilson stelt 'safe what remains' (1992,
315),
Wenz (1988) zegt: evolutionaire processen dienen ongestoord te
verlopen.
Botkin (1990) houdt een terugkeer naar
vóór-industriële
niveaus van uitsterven voor mogelijk en wenselijk, terwijl Norton
(1987)
een sterke verplichting erkent om alle soorten te beschermen. Voor de
norm
'handen af van biodiversiteit' voer ik kort drie overwegingen aan.
1. In de eerste plaats is analytisch al duidelijk dat een
handelingsregel
die aan generaties een zeker uitstervingspercentage, hoger dan de
natuurlijke
achtergrond toestaat nooit een universele regel kan zijn: binnen een
beperkt
aantal, zeg honderd generaties zou de basis voor het menselijk leven
zijn
ondermijnd.
2. Biodiversiteit, gedefinieerd als het aantal soorten, is, zoals Wood
(1997) uiteenzet, zelf geen natuurlijke hulpbron maar veeleer de moeder
aller natuurlijke hulpbronnen, de bron van waarden. Het kiezen van
biodiversiteit
als object van bescherming komt dus tegemoet aan de gedachte dat wij
niet
kunnen weten wat door enige toekomstige generatie als natuurlijke
hulpbron
zal worden aangemerkt. Vermindering van biodiversiteit betekent dus in
alle geval: vermindering van kwalitatieve mogelijkheden om
uiteenlopende
culturele preferenties met betrekking tot de natuur te bevredigen.
3. Vermindering van biodiversiteit kan niet, zoals het 'zwakke'
duurzaamheidsbeginsel uit de neo-klassieke milieueconomie wil,
gecompenseerd
worden door overdracht aan de volgende generatie van een hoeveelheid
menselijk
('man-made') kapitaal. Dit zou immers impliceren dat wij een
onvoorwaardelijke
vermindering van keuzevrijheid voor de (zeg) honderdste generatie na
ons
gecompenseerd achten door een overdracht van rijkdom die hen slechts
voorwaardelijk,
namelijk door tussenkomst van 99 andere generaties kan bereiken.
Waarbij
wij dan nog afzien van de vraag of zij zullen waarderen wat wij een
waardevolle
nalatenschap achten; door welke waardeoverdracht in termen van 'toen'
zouden
wij ons gecompenseerd achten voor het verlies van de Mammoet of de
Dodo?
Toepassing van de norm dat biodiversiteit behouden dient te
blijven vergt vanzelfsprekend nog allerlei verdere specificaties. Zo
impliceert
deze norm uiteraard niet dat alle soortenverscheidenheid overal
gehandhaafd
dient te worden. Strikt genomen betreft de norm slechts de globale,
mondiale
biodiversiteit en laat zij de mensheid de vrijheid om naar eigen
behoefte,
bijvoorbeeld terwille van hoog-productieve pionier-ecosystemen lokaal
de
biodiversiteit drastisch te reduceren. Reversibele ingrepen in de
levende
natuur zijn te allen tijde met duurzaamheidsnormen verenigbaar. Voor
een
lokale overheid als de Nederlandse neemt de operationalisering van de
biodiversiteitsnorm
waarschijnlijk de vorm aan van een binding aan internationale verdragen
die een land zwaardere verplichtingen zullen opleggen voor de
bescherming
van endemische soorten dan van soorten die vrijwel op afroep herstelde
biotopen kunnen rekoloniseren. Biodiversiteitshandhaving impliceert
evenmin
het soortenfetishisme (Bromley, 1998) dat men soms in de
natuurbescherming
ontmoet. Het doel van biodiversiteitsbescherming is het ongestoord
verloop
van evolutionaire processen van soortenvorming. Het middel ertoe is het
herstel van 'evolutionaire theaters' (Wilson, 1992) door
habitatbescherming,
-reconstructie en -defragmentatie. Het aantal soorten (dat op zijn
beurt
gerepresenteerd kan worden door een geringer aantal indicatorsoorten of
toppredatoren) treedt slechts op als parameter in de norm-formulering;
een formulering waaraan, aldus Habermas, de eis gesteld moet worden dat
niet reeds het descriptief taalgebruik de specifieke behoeften van een
bepaalde groep, in casu de huidige generatie weerspiegelt. Van zowel
ecosystemen
als van hogere taxonomische entiteiten (als families, genera en
dergelijke)
is bekend dat hun demarcatie berust op strategische kentheoretische
premissen
van de concepten-construerende onderzoeker; het soortbegrip daarentegen
kan als een veel objectiever, mens-onafhankelijke distinctie gelden
omdat
exemplaren in de natuur zelf dit onderscheid in hun paargedrag maken.
Bescherming van soortenverscheidenheid kan daarom mijns inziens
gelden als geschikt voorbeeld van onpartijdige, cultuurvrije
intergenerationele
rechtvaardigheidsnorm inzake milieugebruik. Mijn beschouwing laat zien
dat voor de legitimering van deze norm geen specifieke cultuur- of
groepsgebonden
waarden of grondhoudingen behoeven te worden aangeroepen, zoals 'dat de
natuur fragiel is'. De WRR doet deze norm dan ook onrecht door hem te
beschouwen
als de particuliere preferentie van een bepaald maatschappelijk
deelbelang.
hulpbronnen
De biodiversiteitsnorm is een
overkoepelende behoudsnorm
('conservation
norm') die aangeeft welke natuurlijke eigenschappen bewaard dienen te
blijven.
Een dergelijke universele norm moet worden gespecificeerd tot cultuur-
en techniekgebonden handelingsnormen. Daarbij moeten de spelregels
worden
in acht genomen die Klaus Günther (1988) ontwikkelde voor de
onpartijdige
toepassing van universele regels in specifieke contexten. Voor een
belangrijk
deel wordt aan de biodiversiteitsnorm voldaan door de norm die Daly
(1996),
Hueting & Reijnders (1996), de RMNO en andere verdedigers van een
'sterk'
duurzaamheidsconcept ('strong sustainability', zie noot 5) formuleren
voor
het gebruik van vernieuwbare hulpbronnen. Van voorraden grondwater,
houtopstanden,
vispopulaties en bodemvruchtbaarheid kan in principe eindeloos
(duizenden
jaren, honderden generaties) worden geoogst, dat wil zeggen: zolang de
zon schijnt en achterliggende regeneratiesystemen intact blijven. En
zolang
men aan de norm voldoet dat 'de oogsten (onttrekkingen) de jaarlijkse
aanwas
of vervanging niet overschrijden'. Deze 'maximale duurzame opbrengst'
('maximum
sustainable yield') kan weliswaar worden overschreden maar niet
langdurig
(Rosenberg e.a., 1993); overschrijding leidt op termijn tot verdwijnen
van de gehele voorraad of populatie. Deze input-regel verdient morele
status
en politieke institutionalisering omdat overschrijding ervan niet
alleen
optreedt als onbedoeld gevolg van individuele nutsmaximalisatie
(sociaal
dilemma) maar zelfs macro-economisch verdedigbaar kan zijn: als de
groei
van een populatie (bijvoorbeeld van walvissen) kleiner is dan de
discontovoet
is het volgens de neo-klassieke economie voordeliger die populatie in
zijn
geheel te liquideren, in beide betekenissen.
Voorbijgaand aan diverse interessante conceptuele kwesties
stipuleer
ik hier slechts dat de bepaling hoeveel er moreel mag c.q. duurzaam kan
gevangen worden dus uitsluitend berust op empirische eigenschappen (de
vervangingssnelheid) van de betreffende voorraad, en niet op afwegingen
en compromissen tussen relevante waarden en belangen. Dat onzekerheid
in
de desbetreffende (wetenschappelijke) kennis nog geen risicobenadering
rechtvaardigt bespreek ik later.
Voor emissies (uitstoot, lozingen) van milieuvreemde stoffen
of van natuurlijke stoffen op onnatuurlijke plaatsen of in
onnatuurlijke
concentraties geldt een vergelijkbare redenering: zij kunnen tot een
bepaald
maximum door het natuurlijk aanwezig bufferend vermogen worden
verdragen.
Daarboven leiden zij tot een kwalitatief nieuw verschijnsel: stapeling
of accumulatie. De grenzen van het absorberend of assimilerend vermogen
van een natuurlijke deponie (stortplaats) berusten opnieuw uitsluitend
op empirische karakteristieken; de normstelling vergt geen afwegingen.
Niet-vernieuwbare hulpbronnen als fossiele brandstoffen (olie,
kolen, aardgas) en mineralen zijn ten onrechte een ondergeschoven
kindje
in het duurzaamheidsdebat. Hier is slechts 'quasi-duurzaamheid'
mogelijk
omdat ieder gebruik de opties voor de toekomst vermindert. Ook hier kan
men echter intergenerationeel onpartijdige gedragsregels ontwerpen;
volgens
de door de RMNO voorgestelde norm dat geen generatie meer dan 2% van de
economisch winbare hoeveelheid verbruikt kan een oneindig aantal
generaties
gebruik maken van een eindige hoeveelheid! (Vergelijk: een oneindige
reeks
met eindige limiet.) Bespreking hiervan gaat evenwel het bestek van dit
artikel te buiten.
§4. Duurzaamheid
en leefbaarheid
Problemen van duurzaamheid
ontlenen, de Brundtland definitie
volgend,
hun eigensoortigheid dus aan de mogelijkheid van de samenleving om via
irreversibele of quasi-irreversibele ingrepen in het milieu ernstige
schade
toe te brengen aan de leefomstandigheden van verre generaties. Dat
impliceert
dat alle duurzaamheidsproblemen dus milieuproblemen zijn. Hoezeer ook
allerlei
politieke, sociale en economische maatregelen en veranderingen nodig
zijn
om 'duurzaamheid' te bewerkstelligen, uiteindelijk zijn voor
'duurzaamheid'
slechts de milieueffecten van die maatregelen bepalend. Maar - andersom
- zijn niet alle milieuproblemen duurzaamheidsproblemen. Niet alle
milieuproblemen
hebben zo'n lange-termijn karakter, er zijn ongewenste milieueffecten
zonder
irreversibele gevolgen, die ongedaan kunnen worden gemaakt zodra men
dat
wil: stank- en geluidsoverlast, gezondheidsschade (niet genetisch of
laat-somatisch),
arbeidshygiëne, binnenhuismilieu, dierenwelzijn, landschappelijke
waarden, organische vervuiling van zwemwater en dergelijke. Het gaat
daarbij
om milieueffekten die pas problematisch worden als ze worden getoetst
aan
een cultureel verankerd waardensysteem, d.w.z. aan ethische waarden
zoals
esthetische en evaluatieve ('smaak'-)oordelen over kwaliteit van
leefomgeving,
welzijn, recreatie, ontplooiing en dergelijke, waarden die deel
uitmaken
van onze eigen opvatting over ontwikkeling. Deze milieuproblemen noem
ik
- ter onderscheiding van duurzaamheidsproblemen, en in navolging van de
Sociaal-Economische Raad (SER, 1989) 'leefbaarheidsproblemen'.
Milieuproblemen
zijn er dus in beide categorieën: morele en ethische.
In de tweede sfeer, van waarden en idealen, is het dus
geoorloofd
om verschillende waarden tegen elkaar af te wegen, om prioriteiten te
stellen
en bijvoorbeeld compromissen te sluiten tussen ecologische en
economische
belangen; hierin schuilt het partiële gelijk van Kamminga. Zolang
de milieuschade niet irreversibel is, is zij geen
duurzaamheidsprobleem.
Iedere generatie drukt onvermijdelijk haar stempel op het haar
omringende
natuurlijk milieu, en heeft daartoe het recht zolang dat stempel
uitwisbaar
is. 'De erfenis kan nooit blanco cheque zijn' (WRR). Wat men -
samenvattend
- de WRR kan verwijten is dat zij alle milieuproblemen als
leefbaarheidsproblemen
heeft gestileerd.
De hier gesuggereerde tweedeling sluit aan bij wat in de
milieu-ethische
literatuur morele 'twee-etage systemen' ('two-tiered systems') worden
genoemd,
zoals onder andere verdedigd door Page (1991, 1997), Norton (1997),
Toman
(1994) en Howarth (1995); duurzaamheidseisen zouden in deze benadering
als het ware of de facto een grondwettelijke status verdienen.
Brown
Weiss (1989) ontwerpt een theorie van intergenerationele rechten en
plichten
die aansluit bij de groeiende praktijk van volkenrechtelijke verdragen,
en die overigens ook overdracht van cultuurgoederen bestrijkt. Het
deontologische
duale systeem kan tevens beschouwd worden als antwoord op Christopher
Stone's
(1987) pleidooi een hiërarchie van morele categorieën die
recht
doet aan de geordende complexiteit van ecosystemen; een hierbij
aansluitende
poging om eco-ethische en dier-ethische benaderingen met elkaar te
verzoenen
werd gedaan door Keulartz (1998).
Mijn deontologisch geïnspireerde onderscheid tussen
duurzaamheids-
en leefbaarheidsproblemen heeft gevolgen voor de discussie over
duurzame
ontwikkeling. In de eerste plaats kan niet meer in één
adem
worden gesproken over het 'operationaliseren van duurzame
ontwikkeling'.
Wij dienen onderscheid te maken tussen enerzijds het operationaliseren
van duurzaamheid tot een in concrete situaties toepasbaar stelsel van
ecologische
normen die recht doen aan de vrijheden van toekomstige generaties en
anderzijds
het ontwerpen van handelingsperspectieven (ontwikkelingsplannen,
scenario's,
strategieën) die het dubbele doel dienen de huidige
sociaal-economische
ontwikkeling te verduurzamen en tegelijkertijd een efficiënter en
rechtvaardiger behoeftenbevrediging van de huidige generatie te
bevorderen.
In de tweede plaats zou men onderscheid moeten maken tussen een korte
en
voorbijgaande fase van ontwikkeling NAAR duurzaamheid ('transitional
unsustainability')
en een daarop volgende, in principe onbeperkte periode van ontwikkeling
IN duurzaamheid. Het is daarbij stelselmatig misleidend om
'duurzaamheid'
aan te duiden als 'doel' van ontwikkeling in bijvoorbeeld het jaar
2030,
omdat dit het misverstand oproept dat duurzaamheid weer wordt beschouwd
als concurrent van andere maatschappelijke doelen zoals reductie van
het
financieringstekort, betaalbaarheid van de pensioenen of oplossing van
de woningnood. In strikte zin is 'duurzaamheid' evenmin doel van
ontwikkeling
als het respecteren van de maximumsnelheid het doel is van de
automobilist.
Ik heb nog geen (milieu-)ethische beschouwingen ontdekt die uitleggen
wat
een redelijke termijn is waarin normoverschrijdend gedrag geredresseerd
behoort te worden. De automobilist op de linker weghelft moet 'als de
donder'
zorgen dat hij weer rechts rijdt, wij lijken voor onze ecologische
gedragscorrectie
grif dertig tot vijftig jaar uit te trekken.
§5. Wetenschap en
normstelling
Mijn bovengeschetste afleiding
van duurzaamheidsnormen in
diverse
milieudomeinen laat zien dat de rol van wetenschap (en in het algemeen
empirische kennis) in de normstelling principieel verschilt van de rol
die gebruikelijk is bij de vaststelling van normen voor
omgevingskwaliteit
('leefbaarheid'). Bij normen voor veilig verkeer, aanvaardbare
geluidhinder
of toegestane gezondheidsrisico's wordt op een continuüm van
gestadig
toenemende ongewenste gevolgen ('dosis-effektrelaties') waarover
wetenschap
informeert ergens, bijvoorbeeld door vergelijking met soortgelijke
gevaren
of risico's, een streep getrokken, meestal bij een rond getal (120 dB
of
80 km/u) dat wetenschappelijk gezien geen specifieke betekenis heeft,
en
dat vaak resulteert uit onderhandelingen tussen belangengroepen die de
streep graag iets hoger of lager hadden gewenst. Duurzaamheidsnormen
echter
blijken, omdat ze niet op zulke waarderende afwegingen en compromissen
kunnen berusten, te vallen bij natuurlijke discontinuïteiten, bij
het optreden van een kwalitatief nieuw of het uitsterven van een bekend
verschijnsel (soort), natuurlijke gebeurtenissen die niet bij voorbaat
bij een rond getal optreden. Overtreding van de maximumsnelheid kan
(wanneer
eenmaal een maximumsnelheid is gedefinieerd) weliswaar met
natuurwetenschappelijke
middelen worden opgespoord, het is slechts een sociaal c.q. juridische
gebeurtenis; wetenschap kan niet aangeven wat als maximumsnelheid moet
gelden. Duurzaamheidsgrenzen kunnen weliswaar niet uit natuurwetten
worden
afgeleid, het zijn geen 'grenzen die worden gesteld door fysieke
bestaansvoorwaarden'
(Kamminga, 1998, 74), zij liggen echter ook niet arbitrair, maar vormen
een tertium 'tussen natuurwet en conventie' (Van Hengel & Gremmen,
1995). Zij berusten op een ethisch-neutrale, normatief-analytische
redenering,
die het mogelijk maakt dat empirische kennis (in casu wetenschap)
zonder
voorafgaande (culturele, maatschappelijke, tijdsgebonden) waarderingen
aangeeft waar de norm ligt. Onbekendheid met dit specifieke karakter
van
duurzaamheidsnormen heeft verantwoordelijke wetenschappers als Opschoor
bij monde van de WRR ten onrechte het verwijt van technocratische of
sciëntistische
vermenging van waarden en wetenschap opgeleverd. Tegelijkertijd
rechtvaardigt
dit 'waardevrije' of 'objectieve' karakter van duurzaamheidsnormen de
constructie
van het concept 'milieugebruiksruimte' dat niet louter op
wetenschappelijke
kennis berust, maar evenmin een beroep doet op enig wereldbeschouwelijk
vooroordeel. De 'milieugebruiksruimte' kan - als handhaafbare schaal
van
stofwisseling tussen mens en natuur - berekend worden door toegepaste
milieuwetenschappers,
op grond van wetenschappelijke kennis plus het intergenerationeel
onpartijdige
criterium van gelijke rechten op milieugebruik. De, door de WRR met
nauw
verholen afschuw gereleveerde eis 'de sociaal-economische organisatie
moet
zich schikken naar een goed gedefinieerde milieugebruiksruimte' klinkt
aanmerkelijk aanvaardbaarder wanneer men bedenkt dat voorbij deze
milieugebruiksruimte
de rechten van toekomstige generaties beginnen. Analoog aan het begrip
'milieugebruiksruimte' kan ook een zinvolle betekenis worden gegeven
aan
het begrip draagkracht ('carrying capacity') van de natuur voor
menselijke
interventies.
§6. Risico's en
voorzorg
Het in de WRR-benadering
dominerende begrip 'risico'
weerspiegelt
het ethisch monisme van de WRR. Risico's zijn kansen op onzekere maar
negatief
gewaardeerde toekomstige gebeurtenissen. Een risicobenadering is daarom
adequaat zolang degenen die de risico's waarderen en nemen omdat zij
daarvan
voordelen verwachten praktisch dezelfden zijn als degenen die de
mogelijke
negatieve uitkomsten moeten dragen. Risico's voor eigen rekening:
prima.
Een risicobenadering is echter evident ongepast wanneer degenen die de
negatieve uitkomsten moeten incasseren anderen zijn, bijvoorbeeld
toekomstige
generaties. In zo'n geval sauveert een risicobenadering
kostenafwenteling.
Met betrekking tot gevolgen voor toekomstige generaties past daarom
slechts
het voorzorgbeginsel ('precautionary principle', O'Riordan, 1994) dat
allengs
in de internationale milieudebatten ingang vindt: 'in geval van
onzekerheid:
niet doen', handelingen (= interventies in het milieu) zijn pas
geoorloofd
als hun onschadelijkheid is aangetoond. Kamminga (1998, 73) noemt dit
'op
safe spelen', als ware het een subjectieve karaktertrek van wat
aarzelende,
weinig ondernemende types. Mij lijkt echter dat geen weldenkend mens,
in
het volle bezit van zijn morele vermogens, inzake afwentelingsrisico's
tot een andere conclusie zou kunnen komen. In het geval van
wetenschappelijke,
voorspellende onzekerheid hebben duurzaamheids- en
leefbaarheidsproblemen
dus elk hun eigen handelingsprincipe: voorzorgbeginsel, respectievelijk
risicoanalyse. Toepassing van het risicobeginsel op
duurzaamheidskwesties
is derhalve een categoriefout; de meeste aspecten van de No-regret
strategie
zijn rationeel te rechtvaardigen op basis van intergenerationele
rechtvaardigheid.
In de bespreking door Kamminga, respectievelijk de WRR van de No-regret
grondhouding en het Behoeden scenario worden voortdurend 'risico's voor
natuur en milieu' afgewogen tegen 'risico's voor de samenleving',
zonder
dat men zich blijkbaar realiseert hierbij risico's voor ons af te wegen
tegen die voor verre toekomstige generaties; een afweging die niet
gemaakt
behoort te worden, en zeker niet door ons. 'Risico's voor het milieu'
is
een conceptueel gedrocht dat versluiert welke personen, groepen of
generaties
de risico's nemen dan wel dragen.
§7. Conclusies
Het bestaan van handelingseffekten die
zich irreversibel door het
natuurlijk
milieu voortplanten tot in de leefsituaties van generaties duizenden,
zo
niet millioenen jaren na ons, rechtvaardigt een afzonderlijke morele
(en
daaruit voortvloeiende juridische en politieke) status voor deze
milieueffekten.
Wij duiden ze aan als duurzaamheidskwesties omdat er goede gronden zijn
te geloven dat de gezaghebbende Brundtland formulering deze categorie
problemen
beoogde. Het bijbehorende duurzaamheidsconcept is dus smal en sterk:
smal
inzoverre slechts ecologische effecten worden genormeerd, en sterk
inzoverre
hier een - lexicaal prioritaire - plicht wordt geformuleerd die kan
worden
nagekomen door het respecteren van een beperkt aantal grenzen of
constraints
op het natuurgebruik van een samenleving. Dit duurzaamheidsconcept is
dus
verre van 'subjectief' (Kamminga), tenzij men ook de - voor menselijke
samenlevingen onmisbare - noties van rechtvaardigheid en
onpartijdigheid
'subjectief' zou willen achten. Het is in elk geval niet subjectief
inzoverre
het geen cultuurgebonden preferenties of doelen voor
sociaal-economische
ontwikkeling claimt te weerspiegelen. (Milieu-)wetenschap heeft in de
articulatie
van duurzaamheidsnormen een specifieke rol: zij kan - uiteraard - niet
beredeneren waarom men deze norm verdient te respecteren: uit IS kan
nog
altijd geen OUGHT worden afgeleid. Maar zij kan wel beredeneren waaraan
men uit oogpunt van intergenerationeel fatsoen zou moeten voldoen.
De plicht tot duurzaamheid onderdetermineert de maatschappelijke
ontwikkeling,
zij legt slechts een bodem in het natuur- en milieubeleid, door aan te
geven waaraan in elk geval moet worden voldaan, ongeacht de
sociaal-economische
doelen of landschappelijk-esthetische waarden die men najaagt. Zij
gebiedt
een 'samenleving in overtreding' zoals de onze om haastig en met
hoogste
prioriteit terug te keren binnen intergenerationeel aanvaardbare
grenzen
van natuurgebruik. Al werd de gedachte niet steeds even systematisch
uitgewerkt,
diverse nota's van de SER en de RMNO, de Nationale Milieubeleidsplannen
en het 'Nederland Duurzaam' van Milieudefensie gaven aan het begin van
de jaren '90 uitdrukking aan dit urgentiebesef. Ook de 'back-casting
methode'
(Jansen, Vergragt, 1992) demonstreerde hoe - met voorbijgaan aan
sociaal-economische
doelstellingen - gewerkt kan worden aan het ecologisch gezond maken van
de economie. Het revisionisme van de WRR-nota 'Duurzame Risico's'
(1994),
geïnspireerd door een modieus relativisme en een zelfzuchtige
tijdgeest,
leidde tot een periode van stagnatie in het beleid en verwarring in de
beleidsdiscussie (Davidson, 1997), waarin afweging en compromisvorming,
ook met betrekking tot de belangen van toekomstige generaties het
parool
werden en de plaats innamen van beschouwingen in termen van rechten en
plichten.
LITERATUUR
Beckerman, Wilfred, 'How Would you Like
your Sustainability', Sir? Weak
or Strong? A Reply to my Critics, Environmental Values 4(1995)2,
169-179
Bromley, D.W., Searching for
sustainability: The poverty of
spontaneous
order, Ecological Economics 24(1998)231-240
Barry, Brian, Justice as Impartiality,
Oxford, Clarendon, 1995
Botkin, Discordant Harmonies, Oxford
University Press, 1990
Brown Weiss, Edith, In fairness to Future
Generations, International
Law, Common patrimony and Intergenerational Equity, Un. Nations Univ.,
Tokyo, 1989
Cabeza Gutés, Maite, The concept
of weak sustainability,
Ecological
Economics 17(1996)147-156
Daly, Herman E, On Wilfred Beckerman's
Critique of Sustainable
Development,
Environmental Values 4(1995)1, 49-56
Daly, Herman E., Goodland, Robert,
Environmental Sustainability:
Universal
& non-negotiable, Ecological Applications 6(1996)4, 1002-1017
Davidson, M. (red.), In debat met de
toekomst; Acht essays,
Publicatiereeks
Milieustrategie 1997/8 Ministerie VROM, Den Haag, 1997
Faucheux, S., O'Connor, M., Weak and
strong sustainability, in:
S.Faucheux,
M.O'Connor (eds), Valuation for sustainable development: methods and
policy
indicators, Aldershot, Edward Elgar, 1997
Günther, Klaus, Der Sinn für
Angemessenheit:
Anwendungsdiskurse
in Moral und Recht, Suhrkamp, Frankfurt, 1988
Golding, M.P., Obligations to future
generations, The Monist
56(1972)85-99
Habermas, J., Erläuterungen zur
Diskursethik, Suhrkamp,
Frankfurt,
1991 (100-118)
Habermas, J., Remarks on Rawls Polit.
Liberal., J. of Philosophy
XCII(1995)3,109-131
Habermas, J., Faktizität und
Geltung, Suhrkamp, Frankfurt, 1992
197-207, 310
Habermas, J., Die Einbeziehung des
Anderen, Suhrkamp, Frankfurt,
1996
40-42,310-316
Jacobs, Michael, Sustainable Development,
Capital Substitution and
Economic
Humility: A Response to Beckerman, Environmental Values 4(1995)1, 57-68
Kamminga, Menno, Pluralistische
duurzaamheid: een conceptuele
grondslag
voor het natuur- en milieubeleid, Filosofie en Praktijk 19(1998)2,
65-79
Van Hengel, Eduard, Gremmen, Bart,
Milieugebruiksruimte: tussen
natuurwet
en conventie, Kennis en Methode 19(1995)3,277-303
Howarth, Richard B., Sustainability under
Uncertainty: A
Deontological
Approach, Land Economics 71(1995)4,417-427
Hueting, Roefie, Reijnders, Lucas,
Duurzaamheid is een objectief
begrip,
Economisch-Statistische Berichten 81(1996)425-427
Jansen, J.L.A., Ph.J. Vergragt, Duurzame
Ontwikkeling: een uitdaging
voor technologieontwikkeling, Leidschendam, 1992
Keulartz, J. e.a., Goede tijden, slechte
tijden: Ethiek rondom grote
grazers, onderzoeksrapport t.b.v. Ministerie van LNV, Vakgroep
Toegepaste
Filosofie, Wageningen, 1998
Keulartz, J. e.a., Op eigen poten, Kennis
& Methode 22(1998)3
Myers, N., Economics of the Environment:
a seismic shift in
thinking,
Ecological Economics 15(1995)125-128
Myers, Norman, The biodiversity crisis
and the future of evolution,
The Environmentalist 16(1996)37-47.
Munda, Giuseppe, Environmental Economics,
Ecological Economics and
the
Concept of Sustainable Development, Environmental Values 6(1997)213-233
Norton, Bryan G., Toman, Michael A.,
Sustainability: Ecological and
Economic Perspectives, Land Economics 73(1997)4, 553-568
Norton, Bryan G., Why preserve natural
variety?, Princeton
University
Press, NJ, 1987
Norton, Bryan G., Toman, Michael A.,
Sustainability: Ecological and
Economic Perspectives, Land Economics 73(1997)4,553-568
Page, Talbot, Sustainability and the
Problem of Valuation, p.58-75
in:
Costanza, Robert (ed.), Ecological Economics, Columbia University
Press,
New York, 1991
Page. T., On the problem of achieving
efficiency and equity,
intergenerationally,
Land Economics 73(1997)4, p.580-596
Passmore, Man's Responsibility for
Nature, Ecological Problems and
Western
Traditions, Scribner's Sons, New York, 1974
O'Riordan, T., Cameron, J. (eds),
Interpreting the Precautionary
Principle,
London, Earthscan, 1994
Rosenberg, A.A., Fogarty, M.J.,
Sissenwine, M.P., Beddington, J.R.,
Shepherd, J.G., Achieving Sustainable use of renewable resources,
Science
262(1993)828-829
Rawls, J., A theory of justice,
Cambridge, Mass., 1971
Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek
(RMNO, publ. nr 74, R.A.P.M.
Weterings,
J.B. Opschoor), De milieugebruiksruimte als uitdaging voor
technologieontwikkeling,
Rijswijk, 1992
Salah-el-Serafy, In defence of weak
sustainability: a response to
Beckerman,
Environmental Values 5(1996):75-81
De-Shalit, Avner, Why posterity matters;
environmental policies and
future generations, Routledge, London, 1995
Stone, Chr. D., Earth and Other Ethics.
The case for Moral
Pluralism,
Harper & Row, New York, 1987
Sociaal-Economische Raad (SER, Advies nr
89/02), Emancipatie als
sociaal-economische
doelstelling, 's-Gravenhage, 1989
Toman, Michael, Economics and
'sustainability': Balancing Trade-offs
and imperatives, Land Economics 70(1994)4, 399-413
Walzer, Thick and Thin, Moral argument at
Home and Abroad, Notre
Dame
Univ. Press, 1994
Wenz, Peter, Environmental Justice, SUNY
Press, New York, 1988
Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (WRR, rapport nr
44),
Duurzame Risico's: een blijvend gegeven, SDU, Den Haag, 1994
Wingert, L., Gemeinsinn und Moral,
Suhrkamp, Frankfurt, 1993
Wilson, Edward O., The diversity of life,
Belknap, 1992 (Penguin,
1994)
Wood, Paul M., Biodiversity as the Source
of Biological Resources: A
New Look at Biodiversity Values, Environmental Values 6(1997)251-268
World Commission on Environment and
Development (WCED, 'Commissie
Brundtland'),
Our Common Future, Oxford University Press, Oxford, 1987
Eduard van Hengel werkt bij de
vakgroep Toegepaste Filosofie aan de Landbouwuniversiteit. Adres:
Hollandseweg
1, 6706 KN Wageningen. E-mail adres: eduard.van.hengel@alg.tf.wau.nl